Trou moet blijcken

Esther Jansma (geb. 1958)

De zoon die ik niet had

Bleek een monster met een vacht

die slechts ontstaan kan in het donker

onder stenen. Het was een wonder

dat hij zag dat ik er stond.

Er liep wat speeksel uit zijn mond.

Praten kon hij niet en hij was bang;

hij zag dat iets bestond buiten de kelder

waar hij jaren in lag vastgebonden.

Hij stonk, stond krom, zijn honger

was reusachtig. Ik sloeg

mijn armen om hem heen. We vielen om.

Schokkend in de groene vacht van het gras

begon hij te lachen. Hij lacht nog steeds.

Ik hoop nog steeds dat hij stopt.

Het gedicht begint met een hoofdletter en eindigt met een punt. Het heeft met zijn tweemaal vier en tweemaal drie regels een regelmatige, afgeronde vorm. Een sonnetvorm. Er zijn meer gedichten, hoor ik u zeggen, die met een hoofdletter beginnen en eindigen met een punt. Jawel, maar er is ook nog die titel, die tegelijk titel is en eerste regel -

De zoon die ik niet had bleek een monster met een vacht - die eerste regel spot met de hoofdletter en vloekt met de symmetrie van de vorm. Het gedicht geeft signalen af dat de titel er los bijhangt en toch maakt de titel deel uit van het corpus. Duidelijker kan een dichter niet aangeven dat De zoon die ik niet had bij voorbaat een uitgestotene is. Uitgeworpen, geïsoleerd. Een zoon die nooit is geboren. Een doodgeboren zoon, een gedroomde zoon, we weten het niet. Zo'n ontkenning van een zoon hoort tegelijk wel en niet bij de baarmoeder of liever, door er niet bij te horen hoort hij er heel hevig bij. Zo ook met de ontkennende titel - door niet bij de regels van het gedicht te horen is hij - de meest essentiële regel.

De zoon die ik niet had blijkt een monster met een vacht. Het versterkt het beeld van een misgeboorte of een droomgestalte. Het gaat om een verschijning van vóór het bestaan, iets uit het domein van de fantasie. Het monster is bekleed met een vacht die slechts ontstaan kan in het donker / onder stenen.

Dat suggereert twee dingen. Dat de fantasie die het monster heeft ingekleed een duistere, nachtelijke fantasie is. En dat het monster zich ergens beneden schuilhoudt, onder donkere stenen.

Zo ontmoeten de nachtzijde van de fantasie van 'ik' en de schaduwzijde van 'zoon' elkaar. Een ontstelde geest droomt zich een gedrocht.

Het was een wonder dat hij zag dat ik er stond.

Bij deze regel gekomen zien we de zoon vanuit de diepte naar boven kijken, naar de 'ik' die hem geestelijk heeft geschapen. Het is een beeld dat, of je wilt of niet, onmiddellijk dat andere beeld van Nijhoff oproept, die een dag uit vissen zou gaan en moedeloos met de hand een wak in het kroos maakte

Er steeg licht op van beneden uit de zwarte spiegelgrond. Ik zag een tuin onbetreden en een kind dat daar stond

- en dat kind schrijft dan de woorden van de dichter op en alle woorden die hij nog ooit hoopt te schrijven. Telkens als de dichter knikt 'liet hij het water beven en het werd uitgewist'.

Hier is de optiek omgekeerd. Het kind kijkt door de koker omhoog, naar de bekijker. Het kind zoekt de bekijker. En onmiddellijk zijn daar ook, of je wilt of niet, de regels uit Nijhoffs Het stenen kindje

O zoontje in me, o woord ongeschreven, O vleesloze, o kon ik u baren De nood van ongeboren leven Wreekt gij met dit verwijtend staren

- dat alles speelt ook in de confrontatie bij Esther Jansma mee. De dichter die baart of juist niet kan baren. De hoop en de vertwijfeling van de geestelijke creatie. En bij beide dichters ook dat hijgen bijna naar vleselijke schepping. De verbeelding als een machteloos surrogaat voor ouderschap.

Bij Jansma baart de geest geen engel, maar een monster. Het kind huist niet in vruchtwater, maar in een dorre kelder met enkel wat speekseldraden. Door de o's van monster, donker, wonder, van stond, mond, bestond en vastgebonden van o zoon, ongeboren wordt de zin aangekondigd:

Hij stonk, stond krom, zijn honger

- het is een samenballing waar de nodige dreiging van uitgaat. Het onbereikbare ideaal van Nijhoff heeft plaatsgemaakt voor de uit de kluiten gewassen reus die toegrijpt. Het kind zoekt de bekijker op. De zoon maakt lichamelijk contact. Het monster versmelt met de dromer.

Er is een gebaar van ontferming. 'Ik sloeg mijn armen om hem heen'. Er is een beeld van gezamenlijkheid. 'We vielen om'. Er is een suggestie van hoop. De zoon begint te lachen. 'Hij lacht nog steeds.'

Maar hoezeer we ons vergissen in dat gebaar, dat beeld en die suggestie blijkt uit de slotzin:

Ik hoop nog steeds dat hij stopt.

Dat is de wanhoop ten top. De wraak van het verlangen. Wat moet het ondraaglijk klinken, dat niet te stuiten gelach van het toonbeeld van stilte - de vleesloze ongeborenheid. Dit is geen omkering van Nijhoff, dit is Nijhoff in een met de vuist versplinterde spiegel. Ook de o's zijn er nog één keer hevig.

    • Gerrit Komrij