Ragfijne verklanking van de geboorte van het zingen

Voorstelling: Een ziel van hout van Robert Heppener door Nieuw Ensemble en Nederlands Kamerkoor o.l.v. Ed Spanjaard. Regie: Monique Wagemakers. Gezien: 10/6 Transformatorhuis TGA Amsterdam. Herhaling 12/6 (uitv.) Uitzending Radio 4: 13/6 20.02 uur. Tv: 28/12 Ned 3.

Een ziel van hout, de eerste opera van Robert Heppener, beleefde gisteravond zijn succesvolle première op de openingsavond van het Holland Festival. Het is een co-productie met de NPS, zodat ook radio en tv het stuk uitzenden.

Heppener schreef zelf zijn libretto naar het gelijknamige boek van Jakov Lind, waardoor hij de kwetsbare woord-muziekrelatie in eigen hand hield. Het derde bedrijf ontstond zelfs in tekst en muziek gelijktijdig. Zo kregen we een Nederlandse opera te horen die goed verstaanbaar is! Heppener is een vocaal componist pur sang. In de opera schildert hij de geboorte van het zingen door de zich vrij zingend ontplooiende mens.

In het verhaal, dat speelt in 1942, ontkomt de mismaakte Toni, een joodse jongen, aan de dodende artsen. Hij wordt gevonden door snuffelende herten in het bos, daarheen verbannen door de huisknecht van zijn ouders, die op transport zijn gesteld. Daar ontrolt zich een Grimm-sprookje met een heks. De mismaakte jongen kan na een trap van een hert weer lopen en bovendien, belangrijk voor de opera, spreken en zingen. De huisknecht belandt in een krankzinnigengesticht, waarvan de directeur aan het eind van de oorlog jaagt op Toni, zijn mogelijke 'excuus-jood'.

Voor Jakov Lind, die elf jaar oud in 1938 zonder ouders in Nederland belandde, was dit een realiteit: een nazi-werkgever had hem nodig als alibi voor na de bevrijding. Het verhaal benadrukt het kwaad in de mens in algemeen, en in de gecorrumpeerde in het bijzonder. De huisknecht heeft medelijden met zijn lief 'skeletje', maar weet niet anders te handelen. Zijn excuus is een houten been, daarin schuilt zijn ziel, begrijpt de heks. Het zijn dit soort meelopers en bangeriken die het Hitlerregime hebben mogelijk gemaakt.

Het Rijk der Dieren fungeert als tegenwereld, precies zoals in Bartóks Cantata profana, waarin jonge jagers veranderen in herten die weigeren terug te keren naar de wrede mensenmaatschappij, in Bartóks tijd het opportunistische regime van admiraal Hórthy. Bij Bartók staat altijd de natuur (het platteland) tegenover de mens (de stad). En ook hij houdt het orkest opmerkelijk klein om de koren als de belangrijkste dragers van zijn wonderbaarlijke vertelling zo goed mogelijk te laten uitkomen: Heppeners kooropera wordt slechts begeleid door het Nieuw Ensemble, aangevuld met een Hongaarse cymbalom.

De gedaanteverwisseling is het mystieke moment bij uitstek. Vanaf dat ogenblik is de wereld een andere. Toni wordt niet verliefd op een mens maar op een witte hinde. Als zij sterft (een iets te uitgesponnen scène) heft hij een joodse klaagzang aan, een verwijzing naar de werkelijk wrede buitenwereld, die in het derde bedrijf definitief penetreert in de dierenwereld.

Met een filmtechniek monteert Heppener in dat tweede bedrijf scènes uit het Rijk der Dieren en uit het gesticht om en om. Het slot van het tweede bedrijf is het gruwelijkst, de huisknecht wankelt naar voren, schreeuwend: “Schijt, Scheissen, Merde, Shit!”, terwijl het koor aanheft: “Dood!” met uitroepen als “Heil” en “uch!”.

Ik zou niet willen beweren dat het niet werkt. Maar de regie, die verder heel behoorlijk is, bevat in de gestichtsscène nogal wat clichés. Bovendien wordt daar zwak gezongen. Ook muzikaal kan Heppener hier de vergelijking met een voor de hand liggend onderwerp als Bergs Wozzeck niet aan. Veel sterker werkt zijn poëtische bevlogenheid. Daarbij is het opmerkelijk dat ondanks de vele secunde-opstapelingen (Heppeners handelsmerk) er een grote helderheid heerst: Stravinskyaans transparant. De zang van de witte hinde, het duet van Toni met de huisknecht, wanneer hij weer verlamd terugzakt aan het slot, zijn evocatieve momenten. Maar die schuilen niet eens zozeer in de soli als wel in de ondersteunende ragfijne sluiers van het koor.

Al veel eerder, in De Jubilo del core (1974) naar een extatisch gedicht van de middeleeuwse mysticus Jacopone de Todi, componeerde Heppener de verwarring van de mens die buiten zinnen is geraakt. Er wordt geschreeuwd en gestameld, geneuried en gejubeld. In de vocale aspecten is Heppener altijd het meest grensverleggend geweest. Dat koor biedt in zijn opera allereerst één doorlopende laag in gelijkmatige zestiende noten, die werkt als een zacht dekbed voor de protagonisten.

Maar de zestienden kunnen ook steken en prikken als de spanning stijgt in snel opwaartse figuren. De dieren snuffelen dalend, de gemene arts in een uitgesproken chromatische toonladder. Het koor zorgt voor het opvoeren van de spanning, voor verwarring en verstilling, maar levert ook commentaar als in een oud-Grieks drama.

Aan het Nederlands Kamerkoor waren al die penetrerende dan wel gevoelig uitwaaierende klanken zeer besteed en alleen al daaraan ontleent de opera zijn bestaansrecht. Maar ook de overige musici, Romain Bischoff voorop, voldeden. Tom Sol, vocaal sterk, vond ik alleen visueel een weinig aanvaardbaar zielig scharminkel als Toni. De ster van de avond was ongetwijfeld de stralende Elena Vink in de rol van de witte hinde.

Het idee om de wereld van het fantastische in een virtueel decor op scherm te projecteren, en met videocamera's van achter het podium daar nog een laag aan toe te voegen was aan mij minder besteed. Ik vond de aan computerspelletjes herinnerende beelden uitgesproken kitscherig, maar misschien is de verfilmde versie op tv overtuigender.

    • Ernst Vermeulen