Particuliere financiering van grote orkesten; De èchte liefhebber geeft een contrabas

Orkesten als het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het Concertgebouworkest zijn nooit louter door bezoekers en overheid gefinancierd, maar het aandeel dat bedrijven en particulieren leveren is de laatste jaren wel aanmerkelijk toegenomen. Hoe gaat dat in zijn werk?

Het Rotterdams Philharmonisch Orkest viert morgenavond in de Rotterdamse Doelen het tachtigjarig bestaan met een feestconcert onder leiding van chef-dirigent Valery Gergjev en krijgt dan een celesta cadeau van de Vereniging Vrienden van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Het instrument, een soort piano met metalen staven die klinken als tinkelende klokken, heeft 50.000 gulden gekost. Het orkest kon de vervanging van het oude versleten instrument niet zelf betalen. Maar gelukkig heeft het Rotterdams Philharmonisch Orkest vijfduizend èchte en gulle vrienden. In Amsterdam hebben het Concertgebouw en het Koninklijk Concertgebouworkest een gezamenlijke vriendenvereniging van elfduizend leden, de grootste van ons land.

Naast sponsors uit het bedrijfsleven zijn verenigingen van vrienden steeds belangrijker voor de extra inkomsten van tal van culturele instellingen.

Ook al zijn orkesten als het Koninklijk Concertgebouworkest en het Rotterdams Philharmonisch Orkest groot en hebben ze internationaal prestige, van hun overheidssubsidies kunnen ze soms niet eens het hoogstnoodzakelijke zelf betalen. Zonder sponsors en vrienden zouden de abonnementen in Rotterdam ruim honderd gulden meer kosten.

Bij het Koninklijk Concertgebouworkest, dat een budget heeft van 28 miljoen gulden, is mede door de toegenomen kassa-opbrengsten, sponsoring en donaties de verhouding subsidie/eigen inkomsten van ongeveer tweederde/eenderde ten gunste van de eigen inkomsten gestegen tot 50-50. Het orkest wordt al jaren gesteund door drie vaste sponsors: ING, Sara Lee en Cannon, die samen 2,5 miljoen per jaar fourneren. Maar met zo'n omvangrijke en langjarige steun aan de muziekkunst vormen zij een zeldzaamheid, zegt Gerard Jongerius, die bij de ING-Groep de supervisie heeft over de sponsoring.

De ING heeft de sponsorovereenkomst met het Concertgebouworkest opnieuw verlengd tot 2002. Jongerius: “We doen dit uit een gevoel van maatschappelijke verantwoordelijkheid, waarvoor je wat terugkrijgt. De ING-Groep is een multinational met 80.000 werknemers in zestig landen. Het Concertgebouworkest werkt ook internationaal met regelmatige concerten in Wenen, Parijs, Londen en New York. Daar kunnen wij onze relaties voor uitnodigen, net als in Amsterdam. Bij ING leeft het gevoel van 'ons orkest'. Het orkest kan ook profiteren van onze kennis, zoals bij de marketing. Langzamerhand kan eerder worden gesproken over partnership dan over sponsoring.”

Veel sponsors hebben slechts een losse en tijdelijke band met een kunstinstelling, meestal zelfs een puur incidentele, als ze bijdragen aan één evenement. En uiteindelijk is bij een bedrijf de eigen continuïteit belangrijker dan de sponsoring. Ooit was DAF een sponsor van het Koninklijk Concertgebouworkest, tot het bedrijf ter ziele ging. De vrienden, vrijwel alle ook abonnees op concertseries, zijn èchte liefhebbers van de kunst en vormen een club van blijvende en zeer gemotiveerde financiële supporters. Vijf jaar geleden kochten de vrienden van het Rotterdams Philharmonisch Orkest bij het 75-jarig jubileum zes contrabassen. Ook zijn al eens vier zeldzame Wagnertuba's voor het orkest aangeschaft. De Erasmusstichting kocht pas nog een Stradivariusviool voor concertmeester Kees Hülsmann, en de Amsterdamse donateurs hebben onlangs een nieuwe cello aangeschaft voor eerste cellist Godfried Hoogeveen. “Hij was er buitengewoon gelukkig mee”, zegt J. Verloop, voorzitter van de Amsterdamse donateurs, “en Riccardo Chailly kon ook goed horen dat hij beter was dan zijn vorige cello.”

De zes contrabassen vormden vijf jaar geleden een spectaculair cadeau voor het Rotterdamse orkest, vertelt de Rotterdamse vriendenvoorzitter J.L. Bonebakker. “De bassisten waren al veel eerder bij ons langs geweest om te klagen dat hun oude Mittenwalders echt niet meer mee konden. Toen kostte een nieuwe bas nog zo'n 25.000 tot 30.000 gulden, dat was inmiddels opgelopen tot meer dan 60.000 gulden. We wilden toen eerst onze contributie verhogen van 35 naar 40 gulden, maar op voorstel van een lid ging men unaniem akkoord met 45 gulden. Na drie jaar sparen en met steun van verschillende Rotterdamse culturele fondsen kwam de benodigde vier ton toch bijeen.”

Hoe bijzonder dat was, bleek enige tijd geleden, toen Bonebakker en een aantal vrienden met het Rotterdams Philharmonisch Orkest waren meegereisd naar Wenen, waar het orkest concerteerde onder leiding van Valery Gergjev. Bonebakker: “Toevallig sprak ik daar met een bassist van de Wiener Philharmoniker, die nog op Mittenwalders spelen. Bij mijn verhaal over onze nieuwe bassen zei hij: Davon können wir hier nur träumen.”

De Amsterdamse en Rotterdamse vriendenverenigingen zijn een aantal jaren geleden ambitieuzer geworden. De aantallen leden, die allerlei voordelen en voorrechten krijgen, zijn inmiddels zo fors gegroeid dat in Amsterdam het plafond ongeveer lijkt bereikt. De muziekliefhebbers ontplooien meer activiteiten en richten zich ook op langetermijndoelstellingen als het werven van een nieuw, verjongd publiek. In Amsterdam bestaat daarvoor al enige jaren de vereniging Entrée, die met haar leden de Grote Zaal geheel kan vullen. Ook in Rotterdam begint men nu zo'n jongerenvereniging.

Ook de puur financiële doelstellingen van de vriendenverenigingen zijn in deze tijden van toenemende welvaart fors opgeschroefd. De vrienden hebben zich op bijna professionele wijze even zuinig als zakelijk georganiseerd om met verhoogde contributies te zorgen voor een omvangrijke vorm van burgerlijk privaat 'micro-mecenaat'. De besturen van de vrienden- en donateursverenigingen worden ook veelal gevormd door mensen met omvangrijke relatiekringen en netwerken. Datzelfde geldt ook veelal voor de besturen van de orkesten en van het Concertgebouw. De Rotterdamse vriendenvoorzitter Bonebakker was directeur marketing bij het Rotterdamse containerbedrijf ECT. Een aantal jonge medebestuursleden - marketeers bij Shell en Unilever - heeft een rapport geproduceerd over een nieuw en doelgerichter beleid bij de vrienden.

Bonebakker: “Het rapport ziet er ook mooi uit. Het is gemaakt door Tim van de afdeling communicatie van ECT. Hij vroeg: 'kan ik wat voor het orkest doen?' Toen ging ik naar zijn baas en vroeg of Jos het goed vond dat Tim dat deed. En Jos vond dat goed. Bij de presentatie aan de stichting Rotterdams Philharmonisch Orkest keek men zijn ogen uit. 'Zo, de vrienden hebben hun huiswerk goed gedaan.' Van zo'n vereniging mag dat ook worden verwacht.”

In Amsterdam is Alexander Rinnooy Kan de voorzitter van de vriendenvereniging. Hij was voorzitter van de werkgeversorganisatie VNO-NCW en is op het ogenblik lid van de Raad van Bestuur bij ING Groep. Vice-voorzitter Kees Dijk is hoofd dienst Programmazaken NOS. “Ik vind dat omroep en kunstwereld coalitiepartners behoren te zijn.” Voorzitter van de Amsterdamse donateurs is mr. J.W. Verloop, directeur onroerend goed bij Fortis. In Rotterdam zijn alle private financiële activiteiten ten bate van het orkest geconcentreerd in één Vereniging Vrienden van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Die startte in 1996 het Maecenasfonds, waarvoor donaties en toekomstige legaten worden geworven. Het Rotterdams Philharmonisch Orkest laat zich door het bedrijfsleven niet als geheel sponsoren, maar werft sponsors voor concertseries of losse concerten.

In Amsterdam bestaat rond het Concertgebouw en het Koninklijk Concertgebouworkest een heel complex van private begunstigers. De vrienden zijn er zowel voor het Concertgebouw als voor het Concertgebouworkest, die elk financieel en organisatorisch geheel zelfstandig zijn. Het Concertgebouw werft daarnaast sponsors voor de concerten die het zelf in vele series organiseert.

Het Concertgebouworkest heeft naast de eigen vaste sponsors ook nog het Vorstelijk Genootschap, dat wordt gevormd door achttien bedrijven, die net als het orkest het predikaat 'koninklijk' mogen voeren. Hun minimale jaarlijkse bijdrage is 10.000 gulden. Tegenprestaties zijn naamsvermelding in de seizoensbrochure en een zestal kaarten voor twee concerten per seizoen, voorafgegaan door een ontvangst.

Verder heeft het Concertgebouworkest een onafhankelijke stichting Donateurs, die sinds 1994 middels de actie 'Force Majeure' streeft naar een fonds van dertig miljoen gulden. De minimumbijdrage is 10.000 gulden, waarmee men lid wordt van het 'Gouden Schenkers Gilde', dat een jaarlijkse feestavond organiseert. Naast de Amsterdamse vriendenvereniging heeft het orkest sinds 1996 bovendien nog in New York de 'American Friends of the Royal Concertgebouw Orchestra', die streven naar een fonds van 2,5 miljoen dollar. De bedoeling van de fondsen, zowel in Rotterdam als Amsterdam, is het daarin bijeengebrachte kapitaal in stand te houden en van de opbrengst daarvan tot in de eeuwigheid steun te verlenen aan de orkesten. Een deel van het batig saldo van de vriendenverenigingen komt tot stand door donaties in de vorm van lijfrenten die fiscaal aftrekbaar zijn. Zo geven in Amsterdam 350 leden vijf jaar lang een bedrag van minstens 500 gulden. Daarmee is het lidmaatschap betaald en het abonnement op het programmablad Preludium, waarin men wordt vermeld. Ook ontvangt men een cd. Kees Dijk: “Door de aftrekbaarheid kost je dat relatief weinig, terwijl orkest en gebouw er 400 gulden beter van worden. We willen die lijfrenten verdubbelen, waardoor de opbrengst naar drie ton zou gaan. We voeren ook een kerstactie, die levert zo'n vijftig- of zestigduizend gulden op.”

In Rotterdam zorgden de vrienden (minimaal 55 gulden per jaar) vorig jaar voor een netto bijdrage aan orkestactiviteiten van 312.000 gulden. In Amsterdam (50 gulden per jaar) was dat een half miljoen. De vriendenverenigingen laten hun geld niet 'zomaar' verdwijnen in de begrotingen van de orkesten of het Concertgebouw, maar spenderen dat op een zo zichtbaar mogelijke wijze.

In Rotterdam bezitten de vrienden nu ongeveer vijftig instrumenten, met een verzekerde waarde van 1,2 miljoen gulden. In Amsterdam kwamen er dankzij de vrienden onder andere nieuwe rokkostuums voor de musici. Ook werd bijgedragen aan de verbouwing van de 'natte sectoren' bij de Kleine Zaal en de renovatie van de ornamenten aan de gevels van het Concertgebouw.

De vertegenwoordigers van de private financiers van het Amsterdamse en Rotterdamse muziekleven denken nauwelijks verschillend over de principiële vraag naar de rechtvaardiging van overheidssubsidiëring en particuliere steun daaraan.

Bonebakker: “Wij kunnen de rol van de overheid, die 14 miljoen uitgeeft aan het Rotterdamse orkest, niet vervangen. Maar we kunnen tonen dat we er als burgerij zelf ook wat voor over hebben. Van de resterende 6 miljoen die het orkest zelf moet aanboren is onze drie ton, over een paar jaar vijf ton, toch een mooi bedrag.”

Dijk: “Als vrienden van het Concertgebouw en het Koninklijk Concertgebouworkest zijn we de fanclub van twee geheel verschillend gefinancierde instellingen, al houden veel mensen dat niet uit elkaar. Het gesubsidieerde Concertgebouworkest treedt op in Het Concertgebouw NV, in 1888 gesticht door particulieren en nog steeds nauwelijks gesubsidieerd.

“Ik ben van mening dat de overheid verplicht is een rol te spelen in de kunstfinanciering, omdat de maatschappij niet kan bestaan zonder cultuur. Maar overheidssteun is niet altijd noodzakelijk, zoals blijkt bij de eigen programmering van het Concertgebouw, waarbij is gekozen voor een niet-gesubsidieerde en onafhankelijke koers.

“Ik begrijp wel dat de overheid ergens een streep zet bij de subsidiëring van de orkesten, al kan die streep hoger. De salarissen moeten altijd door de overheid worden betaald. Maar ergens houdt het op en voor de extra's leveren vrienden en sponsors hun bijdragen. Bij het muziekpubliek bestaat veel liefde voor het gebouw en het orkest. Het is goed dat veel mensen daar veel geld voor over hebben.”

Jongerius: “Wij troffen een Concertgebouworkest aan waarop het ministerie van CRM bezuinigde. Haitink schreef brieven en wond zich op, zonder enig resultaat. Zoiets zou nu ondenkbaar zijn. De sponsors bemoeien zich niet met het artistieke beleid, maar we zorgen wel voor het aantrekken van solisten en gastdirigenten van topniveau, zoals Gardiner, Berio, Jansons en Boulez. Mede daardoor houden we het wereldberoemde Nederlandse orkest, de onofficiële ambassadeur van de Nederlandse cultuur, ook echt bij de wereldtop.”

    • Kasper Jansen