Paarse paradoxen

Wanneer de nationale productie groeit, zonder dat de werkgelegenheid toeneemt, is er sprake van 'baanloze groei'. In het begin van de jaren negentig meenden sommige waarnemers dat een nieuw tijdperk was aangebroken, waarin economische expansie niet langer gepaard zou gaan met uitbreiding van de werkgelegenheid. Nadat het begrip korte tijd furore maakte, hoor je op het ogenblik weinig meer over baanloze groei.

Dat is wel verklaarbaar. In het Centraal Economisch Plan 1998 rekent het Planbureau voor dat de werkgelegenheid in de periode 1995-1999 gemiddeld met twee procent per jaar toeneemt. In totaal komen er liefst 730.000 arbeidsplaatsen bij. Nu is dat cijfer met inbegrip van heel kleine baantjes. Statistici letten daarom vooral op banen van 12 uur per week of meer. Het beeld blijft dan even zonnig. In de tweede helft van de jaren negentig neemt het aantal 'serieuze' banen met 640.000 toe, een groei van elf procent. Het aantal vacatures loopt snel op, uitzendbureaus maken overuren. Het aantal ontslagaanvragen daalt. Sommigen verwachten op korte termijn acute tekorten op de arbeidsmarkt.

Helaas gaat het overgrote deel van de nieuwe banen aan de neus van langdurig werklozen en laaggeschoolde werkzoekenden voorbij. Vooral nieuwkomers op de arbeidsmarkt (70 duizend per jaar) en herintredende vrouwen (30 duizend per jaar) profiteren van de baanrijke groei en komen snel aan de slag. Doordat mensen die met een uitkering thuis zitten de banenboot vaak missen, daalt tussen 1995 en het eind van de eeuw het aantal werkloosheidsuitkeringen met slechts 130.000. Daarvoor bestaan verschillende verklaringen. De beroepsbevolking vergrijst en mensen met een werkloosheidsuitkering van 57,5 jaar en ouder hebben niet langer de verplichting te solliciteren. Een deel van de werklozen is door persoonlijke eigenschappen (drugsverslaafde, onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal) lastig bemiddelbaar naar de arbeidsmarkt. Afgezien daarvan ligt de arbeidsbemiddeling in Nederland in handen van een bijzonder ineffectieve organisatie. Maar ook het samenstel van in ons land bestaande fiscale en sociale regelingen maakt het in veel gevallen voor uitkeringsontvangers financieel weinig aantrekkelijk aangeboden laagbetaald werk te aanvaarden.

Op de begane grond van het inkomensgebouw loont werken niet, omdat je met een baan nauwelijks meer gaat verdienen dan je vroegere uitkering. Om uitkeringsontvangers over deze financiële drempel te trekken heeft het paarse kabinet de afgelopen jaren het zogeheten arbeidskostenforfait fors opgetrokken. Dit is een aftrekpost die werknemers kunnen claimen ongeacht hun werkelijke beroepskosten. Dankzij deze aftrekpost van (maximaal) 3.108 gulden per jaar hoeven werknemers - bij een gelijk bruto-inkomen - minder belasting te betalen dan uitkeringsontvangers. De laatsten hadden dit jaar aanvankelijk een forfaitaire aftrek van 618 gulden. Door het verschil in aftrekpost verdiende een kostwinner die tegen het wettelijk minimumloon aan de slag ging vanaf 1 januari jongstleden netto 75 gulden per maand meer dan iemand die zijn gezin van de laagste sociale uitkering moet onderhouden.

Of dit inkomensverschil werkelijk prikkelt tot deelname aan het arbeidsproces staat te bezien. Veel uitkeringsontvangers moeten extra kosten maken wanneer zij gaan werken. Lang niet alle werkgevers vergoeden namelijk reiskosten en de uitgaven voor werkkleding. Daarmee is al gauw 75 gulden per maand gemoeid. In het laatste geval is de prikkel weg. Het kabinet heeft de fiscale prikkel bovendien afgezwakt door in april - in het zicht van de verkiezingen - bijna een miljard gulden voor 'koopkrachtreparaties' in te zetten. Dit geld werd gebruikt om de aftrek voor uitkeringontvan- gers op te trekken van 618 tot iets meer dan 1.000 gulden. Wie sindsdien uit de bijstand stapt en een baan tegen het minimumloon aanvaardt ziet zijn of haar netto-inkomen met nog maar 65 gulden per maand stijgen.

Dat is de eerste paarse paradox. Aan de ene kant is het arbeidskostenforfait opgetrokken om het inkomensverschil bij werken en niet-werken groter te maken. Het gevolg was wel dat de loonbelasting sindsdien veel minder opbrengt, waardoor er minder geld voor tariefverlaging is. Neemt het inkomensverschil tussen werkenden en uitkeringsontvangers toe, zoals beoogd, dan wordt vervolgens geconstateerd dat mensen met een uitkering achterop raken. Zij krijgen daarom ook wat extra's, nu door hun aftrekpost op te krikken. Hierdoor brokkelt de heffingsgrondslag, dat is het deel van het nationale inkomen waarover effectief belasting wordt geheven, verder af. Zo blijft op den duur helemaal geen geld voor tariefverlaging over.

Daarmee komt de tweede paradox van paars in beeld. Terwijl het kabinet de afgelopen vier jaar aan de lopende band maatregelen trof die bijdroegen aan de erosie van de heffingsgrondslag, openbaarde het in december 1997 tegelijk een verkenning van de contouren van het belastingstelsel in de 21ste eeuw, met als blauwrode draad dat de grondslag van de inkomstenbelasting breder moet worden. Bij de bestaande tarieven brengt de belasting dan meer op. Die meeropbrengst zou beschikbaar zijn voor een broodnodig geoordeelde verlaging van de tarieven. Zo zijn de paarse partijen steeds meer verstrikt geraakt in een net van sociaal-economische paradoxen. Dat biedt mede een verklaring voor de stroperigheid waarmee de informatie tot nu toe verloopt.

    • Flip de Kam