OM tobt met bewijs in zaak rond voorkennis

Het Openbaar Ministerie beschikt niet over harde bewijzen van misbruik van voorkennis in de zaak BolsWessanen. Ook bij de derde optiehandelaar kwam de officier van justitie gisteren niet verder dan te stellen dat de verdachte de schijn tegen heeft.

AMSTERDAM, 11 JUNI. Ook bij de behandeling van de derde verdachte in de BolsWessanen-zaak hadden de officieren van justitie mr. H. de Graaff en mr. B. Swagerman grote moeite om de rechtbank er met harde bewijzen van te overtuigen dat in 1994 en 1995 met voorkennis is gehandeld in opties en aandelen van het drank- en voedingsmiddelenconcern. Gisteren moest market maker L. B. uit Zandvoort zich voor de Amsterdamse rechtbank verantwoorden.

Hij verkocht in de zomer van 1994 certificaten van Bolswessanen-aandelen. B., die net als twee andere verdachten deel uitmaakte van een privé beleggingsclubje van optiehandelaren, deed dat een dag voordat het concern zijn winstverwachting voor dat jaar in negatieve zin bijstelde.

Het meeste voordeel bracht zijn optietransactie op 3 juli 1995 op. Een dag voor een onaangekondigd persbericht kocht B. privé 250 put-opties. Zakelijk mocht hij niet handelen, omdat zijn bedrijf onvoldoende liquide was.

Omdat op 4 juli, als gevolg van de negatieve winstbijstelling de koers van BolsWessanen kelderde, werden zijn opties ineens veel geld waard. Hij verkocht ze dezelfde dag nog.

Justitie is van mening dat hij door handel met misbruik van voorkennis een voordeel heeft behaald van circa 69.000 gulden en wil dit bedrag terugvorderen. Dat geldbedrag is echter niet het grootste probleem voor B. Erger is dat hij na een eventuele veroordeling nooit meer mag handelen op de beurs. Nu al wil geen enkele bank meer met zijn optiebedrijf SB Management in zee gaan en liggen zijn werkzaamheden op de optiebeurs stil.

Gisteren bleek dat het Openbaar Ministerie niet over bewijzen beschikt waarmee onomstotelijk kan worden vastgesteld dat de verdachten voorkennis hadden. Daarom probeert justitie bij de rechtbank aannemelijk te maken dat de transacties onlogisch waren als zij niets hadden geweten. De schijn van handel met voorkennis leverde enkele jaren geleden in de Weweler-zaak een veroordeling op.

De officieren van justitie steunen in deze zaak op getuigenissen van twee deskundigen, te weten G.S. Panjer, voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Beleggingsanalisten en A. van Os, oud-beurshandelaar en huidig penningmeester van Ajax. Zij noemden de transacties van de verdachten onlogisch omdat er destijds geen aanleiding geweest zou zijn om aan te nemen dat de koers van BolsWessanen in korte tijd snel zou dalen.

Maar over wat in de beleggingswereld logisch en onlogisch is lopen de meningen nogal uiteen. Verdachte B. gaf gisteren aan dat een optiehandelaar zijn transactiebesluiten niet alleen baseert op koele omzetcijfers, koersgrafieken en statistieken, maar ook op de massa-psychologie van beleggend Nederland. Volgens hem en zijn advocaat zijn de getuigen op dit gebied niet deskundig.

De rechter stelde gisteren voor een derde deskundige op te roepen, die wel helemaal thuis is in de optiewereld. Dat plan sneuvelde echter na kort beraad van de rechtbank, omdat een getuige die even deskundig als objectief is niet vlot kan worden gevonden. De rechter besloot daarop Panjer komende dinsdag te verhoren over de verklaringen van de verdachten tijdens de rechtszittingen.

De zitting van gisteren was er niet een, waarbij zoals gebruikelijk geval is, OM en verdediging elkaar met argumenten bestoken en de rechter als arbiter optreedt. De officieren van justitie kwamen nauwelijks aan het woord. De zitting beperkte zich tot een verhoor van B. door een van de rechters. B. moest een verklaring geven voor zijn handelsgedrag.

Deze gang van zaken stoorde zijn raadsman mr. D. Doorenbos. “Eigenlijk moet mijn cliënt zeggen waarom hij iets, en in sommige gevallen, niets heeft gedaan terwijl normaal gesproken het OM moet aantonen dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd.”

Naar zijn idee zou de rechter niet het werk van het OM over moeten doen, maar de verdachten vrij moeten spreken wegens gebrek aan bewijzen.

Mr. W. de Jong, als advocaat van een andere verdachte ook op de zitting aanwezig, steunde Doorenbos daarin. Tegen de rechter zei hij: “U probeert met al uw vragen een sleutel te vinden die een deur opent, maar u vindt alleen maar nieuwe deuren.”

Rechter mr. E. van Schaardenburg wees die kritiek van de hand en zette de zitting voort. De rechtbank somde uit het strafdossier flarden van analistenrapporten op waaruit zou moeten blijken dat er geen koersdaling van BolsWessanen op de betreffende dagen in 1994 en 1995 verwacht kon worden.

B. verweerde zich met knipsels uit andere beleggingsvakbladen, waaruit wel degelijk scepsis van analisten over het aandeel bleek. “En bovendien”, zo zei B., “gebruikte ik maar onderdelen van analyses. De slotconclusie trok ik altijd zelf.” Dat beleggers in die tijd eerder positief over Bols dachten dan negatief was voor hem geen argument. “In de markt moeten altijd kopers en verkopers zijn, anders is er geen handel.”

B. zag zijn verdachte transacties als gelukstreffers. Dat de koers van BolsWessanen zo hard kelderde had volgens hem vooral technische oorzaken.

De koers van het fonds zakte op de betreffende dagen door de steunlijn, een minimumkoers waarbij analisten adviseren de aandelen te verkopen. Omdat beleggers zogeheten 'stop-loss' verkooporders hadden opgegeven, waarbij ze hun verlies beperken door een limietprijs op te geven, werd automatisch het aanbod van aandelen zeer groot in verhouding tot de vraag.

B. had geen verklaring voor het feit dat hij tot twee keer toe vlak voor de publicatie van een negatief persbericht handelde.: “Dat is gewoon gebeurd. Er zijn veel stukjes in de puzzel die je doet besluiten om een transactie te doen. Er waren al maanden slechte winstverwachtingen over BolsWessanen. Sommige analisten hadden de fusie van Bols en Wessanen gezien als het samengaan van een korfbal- en voetbalclub. De transactie van juli 1995 was voor mij een hele normale. Als ik echt iets van voorkennis had gehad, was mijn order wel vijftig keer zo groot geweest.”

    • Sjouke Rijper