Het verlangen een stervende Belg te doden

AMSTERDAM. Hij zit op een stoep in het centrum. Zijn geur valt op. De geur van ongewassen mensen, van maanden in dezelfde kleren. Van ranzige wonden, etter, hoofdluis, van snot en ziektekiemen. Zo ruikt verloedering. Zo ruikt Patrick.

Patrick is een Belg van 35. Hij lijdt aan epilepsie. Omdat hij graag bier drinkt, is hij te ver heen om zijn Deparkine volgens voorschrift te slikken. Naast hem zit Jan, zijn hulpverlener. Jan houdt hem in de gaten. Maar soms gaat het mis en krijgt Belg Patrick een epileptische aanval.

De volgende namiddag zitten de Belg en zijn hulpverlener op een bankje in een bushalte. Uit de mond van de Belg sijpelt een straaltje bloed. Wonden in zijn gezicht etteren. Als hij tegen me aan gaat liggen, druppelen lange slierten bloed en snot op mijn jas. Gisteren heeft de Belg bloed gespuugd.

De avond valt, de Belg tuimelt: van het bankje in het bushokje. Hulpverlener Jan: “Wat moet je nou met zo'n man?” Als de Belg tegen de muur plast, gaat hij onderuit. Een voorbijganger roept hem toe te gaan werken.

Daklozen schuiven aan in de bushalte die beschutting tegen de regen biedt. Hoe ze de gezondheidstoestand van Belg Patrick inschatten? Nog een paar maanden. Patrick zelf: “Ik wil dood.” Maar niet altijd. Als je hem lang genoeg in je armen houdt, mompelt hij op z'n Vlaams: “Ik wil lèven.” Maar juist het iemand in je armen nemen, ontbreekt in de hulpverlening; zelfs bij de bevlogen stervensbegeleider Jan. Zijn hulpverlener meent dat hij 't zelf maar moet weten. Want als je het niet redt aan de zelfkant, dan wil je dood of dan ga je eenvoudig.

Streetwise is een te mooi woord voor dat alledaagse leven: er zijn er die de daklozen 's nachts volgen, om hen van schoenen, geld en tasjes te beroven. Wie zich verzet, krijgt een mes op zijn keel. Regelmatig worden slapende daklozen met stenen bekogeld. Ook onderling is er geweld, omdat de meesten elkaar belazeren. Geef je iemand een tientje voor pilsjes: tientje weg. Leen je iemand wat, krijg je 't niet meer terug. Dan wordt er afgerekend. Dan verzamel je moed, sla je iemand totaal-los tot de laatste schop in zijn buik.

De zieke Belg is weerloos. Vandaar dat hulpverlener Jan hem in de gaten houdt. Het wordt 'm soms te veel: “Je probeert te helpen. Hij geeft je niets terug.” Met de dag wordt de hulpverlener agressiever: hij smijt flesjes bier kapot.

De volgende avond is de hulpverlener razend: Patrick heeft in zijn broek gepoept. Hij had geen onderbroek aan en hij heeft zich niet verschoond. Als we hem een paar schone broeken bezorgen? Met tien Hema-onderbroeken? Dat heeft geen zin, zegt hulpverlener Jan. Die onderbroeken verkoopt-ie direct. Wat moet een stervende Belg trouwens met onderbroeken?

De volgende dag heeft de stervende Belg een heldendaad verricht: voor een herkeuring naar het GAK. Het gebouw nog gevonden ook. Hij haalt de brief van het GAK tevoorschijn:

“Ik acht u belastbaar voor arbeid conform de in het rapport aangegeven mogelijkheden (zonder beperking in arbeidsduur 40 uur per week) [...] Dit kan consequenties hebben voor uw uitkering.” Onderaan de brief staat een onleesbare handtekening.

In de bushalte klinkt geschater, maar hulpverlener Jan slaakt een cynische zucht: leer hèm de instanties kennen.

“Wat moet je met zo'n man?”, verzucht de hulpverlener opnieuw. Het ministerie van VWS bellen? Als iemand geestelijk gestoord is, en een gevaar voor zichzelf en/of de samenleving is, kan hij - wet BOPZ - gedwongen worden opgenomen. Geldt dat ook voor ernstig zieken op straat, oftewel: kunnen we het sterven van een 35-jarige Belg voorkomen met een gedwongen opname in een ziekenhuis?

Een VWS-woordvoerder: “In de groep lichamelijk zieken voorziet de wet niet. Als iemand op straat wil sterven, dan mag-ie dat.” De liberale samenleving op zijn best: eenieder heeft het recht om te creperen op straat.

“Ik wil dood”, zegt de Belg. Er was een tijd dat hij veel kon. Vooral technisch. Omdat hij een zwaar misdrijf had gepleegd, is hij naar Nederland gevlucht. Misschien had hij beter zijn straf kunnen uitzitten dan zijn eigen vonnis te vellen: sterven in het Amsterdamse centrum - onder toeziend oog van honderden voorbijgangers en, wie weet, met reality-tv. Toeschouwers zullen zich verbazen: er is toch een hulpverleningsindustrie?

Twee politieagentes stappen van hun fiets. Of we willen vertrekken. Wij veroorzaken overlast - waarschijnlijk vooral vanwege de zieke Belg die languit op de stoep ligt. Kunnen de agentes hem opvangen? Ze schudden sip hun hoofd.

De volgende avond zitten de Belg en zijn hulpverlener Jan vlakbij de Dam. De Belg is gewond aan zijn neus. Hij mompelt dat Jan hem geslagen heeft. Hulpverlener Jan knikt. Hij heeft 'm midden in zijn gezicht een stomp gegeven. “Ik had die Belg bijna dood, bijna TBS geslagen.”

Hulpverlener Jan zelf lijdt aan maagbloedingen. Hij kan de stervensbegeleiding van Patrick niet meer aan. Patrick mag een liberale dood sterven, want Jan kapt ermee. Voordat je het weet, sla je die Belg morsdood. Uit onmacht.

Overigens gaat Jan niet in de ziektewet: hij is niet in dienst van een gesubsidieerde instantie. Jan heeft zijn hulp voor niks aangeboden: “Wie ben ik nou? Ik stel niks voor.” Jan: voormalig werknemer in een slachterij te Twente; intussen anderhalf jaar op straat.

    • Stella Braam