'Eritrea vocht 30 jaar, en zegevierde!'

Eritreërs en Ethiopiërs vertonen dezelfde karakteristieken van onverzettelijkheid. Dat vormt vermoedelijk het grootste probleem van de huidige oorlog in de Hoorn van Afrika.

ASMARA, 11 JUNI. “Ga nooit op je knieën”, luidde de strijdkreet gedurende de 30-jarige oorlog van de Eritrese verzetsstrijders tegen Ethiopië. Zeven jaar na zijn onafhankelijkheid is Eritrea een natie die nog steeds zijn geschiedenis leeft. De onverzettelijkheid die hen staande hield tegen iedere overmacht bepaalt het karakter van de Eritreërs. “We vechten voor ons grondgebied; doen we dat niet dan verliezen we onze identiteit”, verklaart een huismoeder in Asmara de koppige houding van haar landgenoten in het grensconflict met Ethiopië.

Haar echtgenoot vocht in de bevrijdingsoorlog en is inmiddels boven de vijftig. Hij staat opnieuw te popelen. “Ik wil zo snel mogelijk naar het front”, vertelt hij. “Onze nationalistische gevoelens zijn heel sterk en we moeten dit tonen door actie.” Maar is hij niet wat te oud voor oorlog? “Nee, nee, nooit!” Ook zijn zonen willen ten strijde trekken. “Onze natie kwam voort uit de strijd en we moeten ons nu verdedigen door te vechten. Dertig jaar streden we en we zegevierden. Ook nu kunnen we niet verliezen.”

In Eritrea heten militairen geen soldaten, maar strijders. Muurschilderingen in Asmara verheerlijken het roemruchte verleden van de bevrijdingsstrijd. Posters waarop geharde Eritrese strijders in tegenlicht staan afgebeeld, gaan nog steeds grif van de hand, evenals stickers bedrukt met historische overwinningen uit de oorlog. Gedemobiliseerde strijders worden met groot respect behandeld.

De geest van kameraadschap en gelijkheid uit de dagen in de bush leeft voort in regeringskringen. Ministers zijn gemakkelijk toegankelijk en dragen geen chique kleren. President Isayas Aferworki rijdt in een eenvoudige auto door de stad en laat zich niet begeleiden door een militair konvooi met loeiende sirenes, zoals gebruikelijk in Afrikaanse staten.

Toen vorige week Ethiopische vliegtuigen de luchthaven bij Asmara bombardeerden, vluchtten stadsbewoners niet angstig weg of verschansten ze zich in hun huizen. Integendeel. Ondanks de gevaren trok een mensenmenigte naar de luchthaven en paradeerde enkele uren later met stukken metaal van de neergeschoten Ethiopische MiG door de straten. “De Eritreërs raken gewend aan oorlog”, stelt een diplomaat in Asmara vast. “Ze zijn niet bang te sterven voor hun vaderland, voor hun waardigheid en voor hun trots.”

Daarmee is niet gezegd dat Eritreërs een lust hebben voor oorlog. Achter hun koppige houding gaan gevoelens van droefenis schuil. Groepen vrouwen bidden iedere dag voor vrede in verschillende kerken van hoofdstad. “We weten beter dan welk volk op aarde wat oorlog is”, zegt restauranteigenaar Eyab. “Iedere Eritrese familie verloor een zoon of vader. We haten oorlog. Maar de Ethiopiërs zijn de lessen van het verleden al vergeten, zij dwongen ons tot deze oorlog.”

Ethiopiërs vertonen dezelfde karakteristieken van onverzettelijkheid. Dat vormt vermoedelijk het grootste probleem van deze oorlog. De huidige Eritrese en Ethiopische machthebbers, Isayas Aferworki en Meles Zenawi, vochten in de jaren '70 en '80 zij aan zij tegen het regime van de militaire heerser Mengistu. Hun verzetsstrijders vormden vaak één front. Ze kennen elkaar door en door. Juist in families kunnen echter de diepste vetes ontstaan. En worden de gruwelijkste moorden gepleegd, omdat men elkaar zo goed kent.

Oud zeer uit de gezamenlijke bevrijdingsstrijd speelt een rol bij de explosie van de huidige gewelddadigheden. Al begin jaren '80 kwamen de verzetsbewegingen van Isayas en Meles in conflict over de status van de Yirga-driehoek. Om het gemeenschappelijke front tegen Mengistu niet te schaden, zetten ze het dispuut in de koelkast. Verzetsstrijders uit de Noord-Ethiopische provincie Tigre, waaruit het huidige regime van Meles Zenawi in Addis Abeba voortkomt, bestempelden tijdens de bevrijdingsstrijd hun Eritrese collega's vaak als arrogant. Niet van harte maar door noodzaak gedwongen ging na de val van Mengistu in 1991 Meles Zenawi akkoord met de onafhankelijkheid van Eritrea.

Een voormalige Eritrese verzetsstrijder - nu minister - spreekt van “een minderwaardigheidscomplex van de Tigreërs”. De Eritrese verzetsstrijders hielpen destijds bij de oprichting van de Tigrese rebellen van Meles Zenawi. Ze trainden hen, gaven hun advies en verstrekten hun wapens. De eerste tanks die in 1991 het presidentiële paleis in Addis Abeba innamen werden bemand door Eritreërs. “Wij waren de ziel van het verzet in Ethiopië”, zegt de minister, “en dat zit de huidige machthebbers in Addis Abeba nog steeds dwars”.

Beide regimes storten hun straatarme landen nu in een nieuwe oorlog om het bezit van kleine, ruwe, onvruchtbare en niet-strategische grensgebieden. Daarbij lijken onverwerkte gevoelens uit het verleden en een behoefte zich waar te willen maken aan beide zijden een rol te spelen. Eritrea nam vanaf het begin bij het huidige conflict een uiterst agressieve houding aan. Iedere Eritreër ziet een complot van Ethiopië om Eritrea weer in te lijven.

“Ja, ja, we zijn een klein land, maar daar hebben we geen complex over”, verklaart een Eritrese minister. Hij voegt er onmiddellijk aan toe: “Maar we laten niet met ons sollen.”

    • Koert Lindijer