Een nieuw fotomuseum dient op één locatie te komen

De Nederlandse fotowereld zit krap bij kas. Eddie Marsman vindt dat, nu dankzij een groot legaat van Hein Wertheimer ruimere financiële mogelijkheden komen, één centraal fotomuseum moet worden opgezet. Het gaat niet aan de nu beschikbare gelden te versnipperen over verschillende locaties.

Dankzij het grootmoedige gebaar van Hein Wertheimer, bij leven enthousiast amateurfotograaf, krijgt Nederland een fotomuseum. Bij zijn overlijden in augustus vorig jaar liet hij zijn vermogen van 22 miljoen gulden na aan het Prins Bernhard Fonds (PBF). Hij wilde dat het zou worden besteed om de Nederlandse fotografie in het algemeen te bevorderen en voor steun aan c.q. oprichting en exploitatie van een fotomuseum in het bijzonder.

In opdracht van de erfgenaam heeft het Instituut Collectie Nederland (ICN) de afgelopen maanden onderzoek verricht naar de opzet van het museum. Het ICN sprak met vertegenwoordigers van ruim twintig foto-instellingen (archieven, musea met een fotocollectie, fotomanifestaties, organisaties van amateurfotografen) en enkele subsidiërende overheden.

Vorige week donderdag presenteerde het ICN in Den Haag de hoofdlijnen van zijn advies aan het Prins Bernhard Fonds: het Wertheimermuseum zal niet gevestigd worden op één plaats, maar gespreid worden over drie steden. Aan het Prentenkabinet van de Rijksuniversiteit Leiden is de onderzoekstaak toebedacht, de rijksfotoinstellingen in Rotterdam (Nederlands Foto Instituut, Nederlands Fotoarchief en Nationaal Fotorestauratie Atelier) krijgen de collectiebeheerstaken, en Amsterdam de expositietak van het museum, bij voorkeur in samenwerking met het daar reeds gevestigde Maria Austria-fotoarchief.

Het konijn was uit de hoge hoed - maar wel een konijn met een hoog Tommy Cooper-gehalte. Een museum op drie plaatsen met een kunstmatige scheiding der taken: het is een onwerkbare constructie zonder gezicht. Er valt geen enkele positieve bijdrage van te verwachten aan de Nederlandse fotografie. En wat belangrijker is: het voorstel is volstrekt strijdig met de letter en de geest van het legaat.

Toegegeven, zelf heeft Wertheimer geen vestigingsplaats voor zijn museum genoemd zoals hij ook weinig aanwijzingen heeft gegeven over de vorm ervan. Hoewel de tekst van zijn legaat de indruk wekt dat hij vrij eenvoudig gedacht heeft (men neme een gebouw) is de uitbouw van een van de reeds bestaande instellingen niet uitgesloten, evenmin als een fusie tussen meerdere bestaande instellingen. Wel gaf hij enkele regie-aanwijzingen: exposities van amateur- en professionele fotografie, de aanleg van een bibliotheek en een eigen collectie, het organiseren van cursussen, concoursen en stipendia. Maar of het nu geleverde voorstel hem voor ogen stond? Dat valt te betwijfelen.

Bij de presentatie van de museum-blauwdruk leverde het ICN ook een kritische analyse van de Nederlandse fotowereld. Die is klein en krap bij kas, en hier en daar overlappen de activiteiten elkaar of zit men elkaar zelfs regelrecht dwars.

Wat samenvoeging en samenwerking zou hier verbetering in kunnen brengen. Al zal dat niet gemakkelijk zijn, want in de discussies prevaleert veelal de emotie boven de argumentatie. Zeker als het gaat om 'historische beslissingen' - een eufemisme waarmee het ICN doelt op de vooral in Amsterdam omstreden vestiging van de rijksfoto-instellingen in Rotterdam, begin jaren negentig.

Het zijn stuk voor stuk juiste constateringen. Maar nog afgezien van het feit dat de voorgestelde spreiding van het museum over drie locaties volstrekt haaks staat op de gesuggereerde verbeteringen - het legaat is niet bedoeld om de infrastructuur van de Nederlandse fotografie te verspijkeren. Het is bedoeld om een museum op te richten.

Dit onjuiste uitgangspunt verklaart de nu voorgestelde taakverdeling die ook inhoudelijk gezien uiterst twijfelachtig is. Het zonder enig voorbehoud toewijzen van de onderzoekstaken aan het Prentenkabinet van de Rijksuniversiteit Leiden is opmerkelijk. Het functioneren van deze instelling werd vorig jaar door hetzelfde ICN nog danig gekritiseerd. Na een maanden durend onderzoek (in opdracht van het universiteitsbestuur) concludeerde het ICN toen dat de aanwezige fotocollectie weliswaar een goudmijn is, maar ernstig lijdt aan gebrekkig management en onvoldoende is ingebed in zowel de vakgroep kunstgeschiedenis als het universitaire onderwijs en onderzoek. In deze situatie is de komende jaren weinig verbetering te verwachten, verkondigt zelfs de Leidse fotoconservator Ingeborg Leyerzapf. Dat is een weinig hoopvol vooruitzicht voor een beginnend museum.

Het toebedelen van de collectiebeherende taak aan de rijksfotoinstellingen in Rotterdam getuigt van grote onnadenkendheid. Het Wertheimer-fotomuseum dient een eigen collectie te hebben (het ICN rept er met geen woord over; het Fotoinstituut zelf heeft geen collectie) en die hoort thuis op de plek waar ze geëxposeerd kan worden: in Amsterdam dus. Hetzelfde geldt voor de eveneens door het ICN geleverde suggestie de rijksinstellingen tevens een coördinerende taak te geven over fotocollecties van anderen (Rijksmuseum en Stedelijk Museum in Amsterdam, Spaarnestad Fotoarchief in Haarlem, de Leidse collectie). Een dergelijke bemoeienis is misplaatst en volstrekt buiten de orde van het museale takenpakket.

Pièce de résistance van de museumstructuur is zonder meer het toewijzen van de expositietaak aan Amsterdam. 'Laagdrempelig en bruisend' zullen de tentoonstellingen er moeten worden, zo formuleert het ICN. Als uitkomst van een maanden durend onderzoek is het een platitude en daarmee een illustratie van het eerder geconstateerde gebrek aan inhoudelijkheid. Als taakomschrijving is het even oppervlakkig als eenzijdig: ze past een kunsthal en niet een museum.

Met deze beslissing lijkt de intensieve lobby die sinds de bekendmaking van het legaat vanuit de Amsterdamse fotowereld is gevoerd, succes te hebben gehad.

Het voornaamste argument uit die campagne wordt ook door het ICN weer opgevoerd: het ontbreken van een grote, goed geoutilleerde ruimte voor foto-exposities in de stad.

Nog afgezien van de vraag of die constatering terecht is, is het de vraag of in die lokale behoefte binnen het kader van het museumvraagstuk moet worden voorzien. Het ontbreken van de door de Amsterdamse fotowereld gewenste expositieruimte valt in de eerste plaats het gemeentebestuur te verwijten dat al jarenlang alle voorstellen in die richting stelselmatig afwijst. En ook nu is weinig veranderd, ondanks de gretigheid waarmee de gemeente zich opwierp als vestigingsplaats voor Wertheimers gedroomde museum. De investering voor de (ver)bouw van de museale expositieruimte zal niet door de gemeente worden gedaan maar uit het legaat worden gefinancierd, zoals bleek bij de presentatie. Het maakt de bewering van het ICN dat gestreefd is naar een optimale inzet van het legaat, op z'n minst twijfelachtig.

Zelfs Groningen dat zich op de valreep nog als kandidaat aanmeldde, toonde zich bereidwilliger door kosteloos een onderkomen ter beschikking te stellen opdat de renteopbrengsten van het volledige legaat (geschat op zo'n twee miljoen gulden) voor de exploitatie benut konden worden.

De nu voorgestelde spreiding en taakverdeling is weinig meer dan broddelwerk waarin op een onverantwoorde en oneigenlijke wijze misbruik wordt gemaakt van Hein Wertheimers fantastische gebaar.

    • Eddie Marsman
    • van het Tijdschrift