De morele status van embryo's in vrieskisten

Biotechnologische ingrepen bij dieren zijn verboden in Nederland, behalve als ze van fundamenteel belang voor de mensheid zijn. Wanneer is dat zo? Een gesprek met prof. Schroten, hoogleraar christelijke ethiek en directeur van het Centrum voor Bio-ethiek in Utrecht.

DE THEOLOOG prof.dr. Egbert Schroten beweegt zich al jaren tussen twee vakgebieden: ethiek en biotechnologie. Heerlijk vindt hij het: juist op het snijvlak van verschillende disciplines fonkelt en bruist het, daar komen de nieuwe ontwikkelingen vandaan.

Al snel na zijn opleiding als protestants theoloog kwam Schroten terecht in de medische ethiek. De medische wereld zocht antwoorden op vragen als: hoe ver mogen we gaan met menselijke voortplantingstechnieken, met abortus, met euthanasie? In de jaren tachtig zijn er door de opkomst van de biotechnologie nieuwe ethische vragen bij gekomen. Steeds meer dieren worden genetisch gemodificeerd om het onderzoek verder te brengen. Hoe ver mogen we daarmee gaan?

In Nederland is de genetische modificatie van dieren sinds april 1997 wettelijk geregeld. Biotechnologische ingrepen bij dieren mogen niet, behalve wanneer het doel van de ingreep van fundamenteel menselijk belang is. Nederland erkent met die wet formeel - als enige land ter wereld - dat dieren een eigen, intrinsieke waarde hebben. Aan het erfelijk materiaal van dieren mag niet zomaar worden gesleuteld. Er moet een goede reden zijn om hun natuurlijk leven te verstoren. Iedere onderzoeker die in Nederland dieren genetisch wil modificeren of klonen moet daarom hiervoor vergunning aanvragen bij de overheid.

Sinds ruim een jaar adviseert de commissie-Schroten, zoals de Commissie Biotechnologie bij Dieren in de wandelgangen heet, de overheid hierover. In die tijd heeft de commissie zo'n veertig onderzoeksvoorstellen behandeld. In veruit de meeste gevallen ging het om het maken van transgene muizen voor medische doeleinden. Onderzoekers wilden bepaalde genen van muizen uitschakelen, bijvoorbeeld om te kijken of ze tumoren ontwikkelden. Of ze wilden juist genen inbrengen, bijvoorbeeld om te kijken hoe het zenuwweefsel reageert. Een enkele keer wilden onderzoekers runderen, wormen, kikkers of zebravisjes veranderen, maar dat waren uitzonderingen.

Op het eerste gezicht heeft de commissie-Schroten een eenvoudige taak. Immers, alle biotechnologische ingrepen die zijn gericht op nieuwe therapieën of medicijnen dienen in beginsel een fundamenteel menselijk belang: het beter maken van zieke mensen. Dus iedere ingreep mag?

“Ja, maar daar kun je wel wat meer over zeggen”, reageert Schroten. “Stel dat een onderzoek al op vijf andere plaatsen in de wereld wordt gedaan. Dan vragen wij ons af: is het wel nodig ook hier dat onderzoek te doen. Een andere vraag is: zijn er alternatieven? Daarover heb je met stier Herman zoveel discussie gehad. Sommigen vinden de mogelijkheid om medicijnen niet alleen door koeien te laten maken maar ook door schimmels al voldoende reden om het modificeren van runderen af te keuren. Die discussie sleept nog steeds.

“En zo vragen we ons bijvoorbeeld ook af of bepaalde gemodificeerde dieren er al zijn. Het maken van nieuwe genetisch gemodificeerde dieren via micro-injectie in een bevruchte eicel kost altijd vele dieren waarbij de ingreep niet is geslaagd. Als men dan in Nederland bepaalde genen bij een muis wil uitschakelen terwijl de Amerikanen al zo'n muis hebben, kun je die muis beter uit de VS halen. Wat dat betreft is ook klonen, mits men de techniek goed onder de knie heeft, efficiënter dan het maken van nieuwe gemodificeerde dieren.”

Dus klonen kan ethisch meer verantwoord zijn dan het afwijzen ervan?

“Als je de plussen en minnen tegenover elkaar zet, is efficiëntere vermeerdering van gemodificeerde dieren in ieder geval een van de plussen.”

Van de veertig onderzoeksvoorstellen heeft u er één in zijn geheel afgewezen, namelijk het voorstel van het biotechnologisch bedrijf Pharming om runderen te klonen. Waarom?

“Let wel: we hebben daar niet het klonen op zichzelf afgewezen, maar het feit dat ze wilden klonen met gemodificeerde dieren waarvan nog niet bekend was of de modificatie de gewenste biomedische eiwitten in de melk had opgeleverd. Daarvan wilden we eerst de resultaten zien. Anders zou het bedrijf misschien gaan klonen met dieren waarbij de modificatie helemaal niet was gelukt.

“Kon het bedrijf ons al wel spectaculaire resultaten laten zien dan zou het me niet verbazen als de commissie toestemming had gegeven. Maar zoiets is altijd moeilijk te voorspellen. In onze commissie zitten mensen met uiteenlopende standpunten: sterke voorstanders van biotechnologische ingrepen, mensen die meer op de lijn van de Dierenbescherming zitten en mensen die er tussenin zitten.”

In het buitenland modificeert men ook dieren met het oog op goedkopere productie: Australiërs maken schapen die gemakkelijker wol loslaten. Amerikanen komen met zalmen die sneller groeien. Zou uw commissie deze ingrepen goedkeuren?

“De commissie zal makkelijker toestemming geven aan ingrepen die een puur medisch doel als kankerbestrijding dienen. Maar je kunt bij dit soort ethische afwegingen heel moeilijk generaliseren. Stel dat onderzoekers in schapen of vissen bepaalde genen willen inbrengen waarvan goed aan te tonen is dat ze voor het dier nauwelijks of geen ongerief opleveren. En dat de ingreep tegelijkertijd een geweldig economisch voordeel betekent. Wellicht dat de meerderheid van de commissie dan toch 'ja' zal zeggen. Over economie wordt vaak meesmuilend gedaan. Maar het is geen vies woord. Het is ook een belang. Het enige waartegen je terecht kunt steigeren, is dat economie vaak als enig belang wordt erkend.”

Zoals destijds bij de ontwikkeling van de Nederlandse bio-industrie. De betrekkelijke zorgvuldigheid waarmee men nu biotechnologische ingrepen bij dieren controleert, staat hiermee in schril contrast.

“Je ziet vaker dat dingen op een bepaalde manier zijn gegroeid waarvan je je later afvraagt: hoe heeft dat kunnen gebeuren. Denk maar aan de slavernij die eeuwenlang heel gewoon was. Wanneer de legbatterijen van kippen in deze tijd zouden opkomen, dan zou daarover heel wat moeilijker worden gedaan dan destijds het geval is geweest. Punt is dat pas in de jaren zeventig het idee is gerijpt dat dieren een intrinsieke waarde hebben, dat je ze dus niet louter instrumenteel mag gebruiken. Wat niet wil zeggen dat men daarvoor nooit oog had voor het dierenwelzijn. In het Oude Testament staat bijvoorbeeld dat je 'een dorsende os niet moet muilbanden'.”

Denken christenen anders over biotechnologie dan niet-christenen?

“Dat denk ik niet. In de bijbel staat nergens dat je niet mag ingrijpen in de schepping. Er staat eerder het omgekeerde, dat je de schepping moet beheersen. Maar dat moet je dan wel zorgvuldig doen. 'Je moet de Hof van Eden bewerken en bewaren.' Bewerken, dat is ook de techniek. In het bewaren zijn we vaak tekortgeschoten, maar het staat er wel in. Daarbij zijn de christenen verantwoording schuldig aan God. Dit kun je echter ook op een seculiere manier uitleggen. Wij allemaal zijn verantwoording schuldig aan elkaar en aan het nageslacht. Dus wat betreft de plicht om zorgvuldig om te gaan met nieuwe technologieën maakt het in de praktijk geen verschil of je christen bent of niet.”

Geeft de bijbel een antwoord op de vraag hoever je mag gaan met biotechnologie?

“Uit traditionele bronnen als de bijbel kun je de sfeer halen van eerbied voor het leven, zorgvuldigheid en barmhartigheid. Maar vervolgens zal elke generatie dat opnieuw moeten vertalen naar de praktische problemen van haar tijd. Om een voorbeeld te geven. Over de morele status van het menselijk embryo is altijd nagedacht, meestal in verband met abortus. Tot voor kort ging het echter alleen om het menselijk embryo in de moederschoot. Daarmee moest respectvol worden omgegaan, omdat het een toekomstig mensenkind is. Nu hebben we ook embryo's in reageerbuisjes en zelfs in vrieskisten, waaronder vele embryo's die nooit terug in de moederschoot zullen worden geplaatst. In Engeland zijn er onlangs vijfduizend vernietigd. Welke morele status hebben déze embryo's? De traditie geeft daarop geen antwoord. Die zegt alleen dat je zorgvuldig moet omgaan met vragen als deze.”

Gaan we met de biotechnologie zorgvuldig genoeg om?

“Dat is inderdaad de hamvraag. Hollen we steeds achter de feiten aan of durven we te zeggen: nu moeten we die wetenschappers toch eens even laten vertellen wat ze doen, en ons afvragen of we deze nieuwe technologie als samenleving wel willen. Ik vind in ieder geval dat in Nederland, in vergelijking met andere landen, een goede poging wordt gedaan een aantal van de fundamentele vragen te stellen en bespreekbaar te maken. Maar als ethicus wil ik natuurlijk altijd meer discussie. En Nederland is ook geen eiland. Volgens de huidige internationale regels mag Nederland gemodificeerde dieren uit het buitenland niet tegenhouden. Het is daarom van groot belang dat de wetgeving over biotechnologie bij dieren wordt geharmoniseerd, in elk geval in de EU.”

    • Marianne Heselmans