Dawn Upshaw heeft hemelse stem

Concert: Bo Skovhus (bariton), Ulrich Koella (piano). Programma: liederen van Wolf, Rangström, Dvorák, Martin. Gehoord: 8/6 Concertgebouw Amsterdam.

Concert: Dawn Upshaw (sopraan), Richard Goode (piano). Programma: liederen van Schumann, Strauss, Harbison, Debussy, Ives en pianomuziek van Schumann en Debussy. Gehoord 9/6 Concertgebouw Amsterdam.

Muziek en kracht vormen een wonderlijk verbond. Er is geen geslaagde uitvoering mogelijk zonder een krachtige muzikale persoonlijkheid, maar een musicus die te veel fysieke kracht gebruikt gaat onherroepelijk de mist in. De Amerikaanse sopraan Dawn Upshaw en de Deense bariton Bo Skovhus leverden in de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw niet alleen het bewijsmateriaal bij deze stelling, ze hadden er zelfs hun pianist op uitgezocht. Zonder twijfel zijn Skovhus en Upshaw beide sterke muzikale persoonlijkheden, maar hun authentieke kracht komt heel verschillend tot uiting in de manier waarop ze de liedkunst benaderen.

Skovhus, die zijn recital opende met de Zeven liederen van Heine van Hugo Wolf, lijkt uit te zijn op een verpletterend vertoon van stoerheid en mannelijke kracht. Met zijn krachtige bariton ziet hij de pianissimo's, piano's en de subtiele lyrische momenten niet helemaal over het hoofd, maar zijn verlangen naar masculine fortissimo's is zó sterk, dat hij de rust mist om overgangen van het tedere en lyrische naar het dramatische en pathetische zorgvuldig op te bouwen. Dat resulteert al snel in een geforceerd muzikaal betoog dat, zoals bij de liederen van Wolf, krachteloos wordt door een gebrek aan geleidelijkheid en balans.

De Amerikaanse pianist Ulrich Koella onderstreepte Skovhus' aanpak, door Wolfs broze expressiviteit in scherp gehamer te vertalen. Wel overtuigend vertolkte het duo Rangströms Kung Eriks visor, waarin Skovhus de waanzin van koning Erik met Erik de Noorman-achtige heroïek omlijstte. Ook in de Sechs Monologe aus 'Jedermann' van Martin imponeerde Skovhus door de angstaanjagende machinale dreiging van zijn langaangehouden fortes.

Upshaw en Goode daarentegen blonken juist uit in de ongedwongen natuurlijkheid en de bijna naïeve spontaniteit van hun muzikale benadering. Dat bleek al direct tijdens hun suggestieve vertolking van vier Schumannliederen. Upshaw vertoont alle kenmerken van een natuurtalent: een stem uit de hemel, die in alle hoogtes, kleurschakeringen en sterktegradaties volmaakt vrij en soepel blijft klinken. Ze is niet bezig met imponeren, maar met haar publiek te interesseren voor ieder facet van die betoverende partituren, die ze optimaal tot de verbeelding wil laten spreken. Upshaw is gezegend met een levendige fantasie en een grenzeloos inlevingsvermogen.

Ook Goode weet zichzelf zo volledig met de diepste betekenis van de muziek te vereenzelvigen, dat zijn spel een magische dimensie krijgt. De kracht van Upshaw en Goode manifesteert zich in hun vermogen de muziek zó authentiek te laten klinken, dat er geen andere interpretaties meer mogelijk lijken. Dat gold niet alleen voor Schumann, maar ook voor hun schitterende liedvertolkingen van Debussy, Strauss, Ives en John Harbison.

    • Wenneke Savenije