Crisis Azië raakt China steeds harder

China heeft lange tijd en niet zonder reden de indruk kunnen geven dat de Aziatische crisis maar een beperkte invloed op het reusachtige land had. Die episode lijkt nu voltooid verleden tijd. Ingrijpender maatregelen lijken nodig.

PEKING, 11 JUNI.Veel analytici hebben de afgelopen maanden geconcludeerd dat China in staat zal zijn zonder al te grote kleerscheuren uit de economische crisis in Azië te komen. Immers, zo hebben zij vastgesteld, de Chinese export heeft geen zorgelijke invloed ondervonden van de geldontwaarding in de rest van Azië en bovendien is de Chinese overheid prima in staat door middel van infrastructurele investeringen de vertragende economie voldoende op te peppen. In die zin, zo menen zij, is het officiële streefcijfer voor de economische groei, van acht procent, een reëel gegeven.

Maar ondanks herhaaldelijke geruststellingen van China's financiële autoriteiten leren recente cijfers en statistieken dat China er heel wat minder gunstig voorstaat dan tot dusver is aangenomen. De mededeling, afgelopen dinsdag door de gouverneur van China's Centrale Bank, Dai Xianglong, dat de val van de Japanse munt een “zeer negatieve invloed” heeft op China's im- en export en het aantrekken van buitenlands kapitaal, was ook de eerste keer sinds het begin van de crisis in Azië vorige zomer, dat een Chinese topfunctionaris openlijk uitkwam voor de negatieve gevolgen ervan. De zwakke yen, aldus Dai, zou China's economische herstructurering aanmerkelijk bemoeilijken. Dai voegde daar wel onmiddellijk aan toe dat de Chinese munt geen gevaar zal lopen en stabiel kan worden gehouden.

Maar de ongerustheid in de rest van de regio is toegenomen. Het uitblijven, voor de eerste keer, van de expliciete verzekering dat de devaluatie van de Chinese yuan is uitgesloten, had volgens velen meer betekenis dan de verzekering dat het allemaal wel zou loslopen. Welingelichte bronnen melden dat de Chinese premier Zhu Rongji, speciaal belast met economisch beleid, gisteren ten overstaan van Unilever topman Morris Tabaksblat opnieuw heeft meegedeeld, dat ondanks het aanhouden van de crisis in de rest van Azië, China de belangrijke concurrentie verbeterende maatregel -de devaluatie van de yuan -achterwege zal laten.

De redenen daartoe die China tot dusver heeft aangevoerd waren vooral ideologisch. Devaluatie zou een belangrijke psychologische deuk opleveren in het vertrouwen dat internationaal bestaat in de groeipotentie van de Chinese markt. En belangrijker nog is China's plechtige belofte aan de rest van Azië, dat het de stabiliteit en het uit vermijden van nog meer crisis in de regio, van groter belang acht dan de onmiddellijke bescherming van de eigen economie.

China beroept zich daarbij telkens op zijn forse deviezenreserves (van 140,6 miljard dollar), een omvangrijk handelsoverschot (van meer dan 40 miljard dollar) en een buitenlandse schuld (van 120 miljard dollar) waarvan slechts tien procent kortlopend is. Verder heeft het de plaats in genomen als opkomende leider van Azië, waar Japan het als gevestigde regionale supermacht zo dramatisch heeft laten afweten. Bovendien, zo heeft Peking meermaals beweerd dat de arbeidsintensieve laaggeprijsde Chinese exportproducten amper zouden overlappen met die van de lagelonenlanden in de rest van Azië.

Maar de periode van het al dan niet zelf aangepraat optimisme lijkt definitief voorbij. Recente cijfers leren dat de invloed van de Aziatische crisis dermate groot is, dat China, zonder ingrijpende maatregelen, de door Peking essentieel en haalbare geachte economische groei van acht procent niet langer kan waarmaken.

Het Chinese persbureau Nieuw China meldde gisteren dat China afgelopen mei, voor het eerst in 22 maanden, te maken heeft gehad met een exportdaling. Het ging daarbij om een bescheiden 1,5 procent en over de eerste vijf maanden van het jaar kon desondanks een exportgroei van 8,6 procent (tot een bedrag van 71,1 miljard dollar) worden geboekstaafd, maar in vergelijking met de exportgroei van 20,7 procent in 1997 betekende het een aanmerkelijke teruggang. Gerelateerd aan een daling van de importgroei met 1,5 procent over dezelfde periode, tot een bedrag van 52,6 miljard dollar, was toch nog sprake van een handelsoverschot van 18,5 miljard dollar.

De economische groei over het eerste kwartaal van dit jaar bleek met 7,2 procent dan ook onder het streefcijfer te zitten en eind april meldde de Chinese regering dat de winst bij de door haar gecontroleerde bedrijven was gedaald met 83 procent in vergelijking met het voorgaande jaar.

De druk die China's moeizame economische herstructureringsprogramma daarvan ondervindt, is volgens velen gevaarlijk groot geworden. Buitenlandse specialisten, onder wie Yukon Huang, hoofd van de Wereldbankmissie in China, hebben vastgesteld dat de sociale onrust in China oncontroleerbaar zal worden als het land de economische groei van acht procent niet kan waarmaken. De huidige groei is amper genoeg om de vele miljoenen afgevloeide arbeiders van de noodlijdende staatsbedrijven en werkloze Chinezen van het platteland aan een baan te helpen.

Volgens de Chinese econoom Hu Angang is het werkloosheidspercentage met acht procent ook veel hoger dan de 3,1 procent die China formeel hanteert. Frederick Hu, hoofd van de afdeling voor economische onderzoek in Azië van de firma Goldman, Sachs & Co. in Hongkong, gelooft dat de groeiende werkloosheid China's grootste dreiging is van het moment. “De druk op de Chinese overheid is enorm”, aldus Hu.

Anderen evenwel, zoals Fan Gang, de directeur van het Nationaal Economisch Onderzoeksinsituut, een onafhankelijke denktank in Peking, waarschuwen dat concurrerende maatregelen, zoals de devaluatie van de Chinese munt, ongepast zijn, omdat de financiële injecties van ruim 750 miljard dollar aan infra-structurele projecten die de Chinese overheid dit voorjaar heeft aangekondigd, tijd nodig hebben voordat ze aanslaan.

    • Floris-Jan van Luyn