Voor inwoners Vukovar is Kosovo déjà vu

In Kosovo staan dorpen in brand, schiet artillerie op huizen en trekken vluchtelingen langs de wegen. Kosovo ligt ver van Vukovar, maar alleen geografisch: voor de rest is alles beangstigend dichtbij.

VUKOVAR, 10 JUNI. Er ligt een loodzware hitte over Oost-Slavonië. De zomerse temperaturen wikkelen het rivierenlandschap tussen de Donau en de Drava in het noordoosten van Kroatië in een bijna ondragelijke vochtigheid. Blazenka en Zeljko hebben het daglicht buitengesloten en zitten in een donkere kamer aan hun middagmaal. Een bordje pap met een worstje. Ze zijn net terug van hun werk. Zeljko werkt als elektriciën voor de EU bij de wederopbouw van de stad. Blazenka is weer aan de slag bij de Borovo-schoenfabriek, het oude Bata.

Het is daar net als bij ons in 1991, zegt Blazenka met een hoofdbeweging richting televisie die in de hoek blauw staat te schemeren. Ze doelt op de beelden uit Kosovo, de aanhoudende beschietingen, de vluchtende bevolking. Het is precies hetzelfde, zegt ze. En wat nog erger is, het gaat allemaal om de zelfde hoofdrolspeler: Slobodan Miloševic.

Blazenka weet hoe je moet overleven. Ze heeft geleerd haar emoties te beheersen en te zoeken naar praktische oplossingen voor onoverkomelijke problemen. Zo heeft ze haar man en haar twee jongens de oorlog doorgesleept. Ze leven nog, maar van hun leven van 1990 is niets meer over.

Voor de oorlog van 1991 hadden Blazenka en Zeljko geen slecht leven in Oost-Slavonië, de Servische envlace in Kroatië. Ze werkten in de schoenenfabriek, woonden op loopafstand van hun werk in een ruime driekamerflat en bouwden aan de toekomst van hun zoontjes.

In 1991 begon 'het' net als in Kosovo met incidenten waarbij politiemannen betrokken waren. Binnen de kortste keren begon het Joegoslavische leger de stad te bestoken, de flat werd te gevaarlijk en ze vluchtten de binnenstad in. Drie maanden lang lagen ze onder vuur. Het huis rechts werd aan flarden geschoten, dat links eveneens. Ook het tijdelijk onderkomen van Blazenka en haar gezin werd getroffen, maar het hondje was op tijd gaan piepen en zo hadden ze dekking kunnen zoeken voor de klap kwam.

Drie maanden duurde de belegering en toen de bevolking uit de puinhopen tevoorschijn kroop, waren de Serviërs aan de macht. Er kwam een enorme vluchtelingenstroom op gang. Kroaten waren niet langer veilig. Maar Blazenka bleef. Zelf is ze Roetheens, en Zeljko is niet helemaal Servisch, maar ook geen echte Kroaat.

Zeven jaar later wonen ze nog steeds in hun tijdelijk onderkomen. Ze hebben hun Joegoslavische paspoorten verruild voor Kroatische. De internationale gemeenschap heeft bepaald dat Oost-Slavonië Kroatisch is. Blazenka heeft nog het geluk dat niemand haar tijdelijk onderkomen komt opeisen. Anders stonden ze gewoon op straat. Hun eigen flat bij de schoenenfabriek staat er nog, maar is onbewoonbaar. Niet wegens het bombardement, maar wegens een Servische politieman. Kort nadat Blazenka met haar gezin waren gevlucht had de Serviër de flat betrokken. Hij woonde er zes jaar totdat de rechter bepaalde dat hij niet de rechtmatige eigenaar was.

Uit woede molde de politieman alles wat er te mollen viel. Er zit geen leiding meer in de muur, geen deur in zijn post en geen raam in de sponning. Het hemelbed, het witleren bankstel, de potten en pannen, het speelgoed van de kinderen, alles is weg.

Nu, zeven jaar later, ziet Blazenka dagelijks weer beelden van de tanks van het Joegoslavische leger die hun lopen leegschieten op burgerhuizen. Weer ziet ze de beelden van drukgesticulerende internationale politici die geen antwoord weten te formuleren op dit geweld. Kosovo ligt ver weg, maar de beelden roepen sterke herinneringen op. En trouwens, in Vukovar is álles ver weg. Een reisje van dertig kilometer naar Hongarije is al een wereldreis. Om het Joegoslavië binnen te kunnen van de man die hun dit allemaal heeft aangedaan moeten ze een speciaal stempeltje hebben. Bovendien moeten ze een dure autoverzekering betalen die ze zich niet kunnen veroorloven. Hun wereld beperkt zich tot de ruïnes van Vukovar.

In hun donkere kamer roken Blazenka en Zeljko zweterig de ene sigaret na de andere. Met een geïmproviseerde ventilator proberen ze de warmte buiten te houden. Ze mogen al blij zijn dat ze werk hebben en voor zich zelf kunnen zorgen. Kosovo wordt een herhaling van Bosnië roepen de politici op het blauwe televisiescherm. Kosovo is een herhaling van Vukovar, mompelt Blazenka, wier geheugen iets verder gaat.