Tien jaar subsidie voor schamele vormgeving

Tentoonstelling: Standpunten, tien jaar vormgeving in Nederland. In: Kunsthal Rotterdam. Dagelijks: di t/m za 10-17u, zo en feest 11-17 u. Inl. 010-4400301.

De ondertitel van de tentoonstelling Standpunten - “tien jaar vormgeving in Nederland” - is misleidend. Getoond wordt slechts werk van ontwerpers die gesubsidieerd zijn geweest door het in 1988 opgerichte Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst. Het gaat dus om het resultaat van tien jaar subsidie en niet om de vruchten van nationaal creatief vermogen in het algemeen. Niet de vormgeving in Nederland bestaat immers tien jaar, maar het Fonds, dat zichzelf in het zonnetje zet: kijk eens hoe goed het gaat met de Nederlandse vormgeving - dank zij ons!

Tien jaar Nederlandse vormgeving - en wat hebben cracks als Bruno Ninaber van Eyben, Friso Kramer, Jan van der Vaart, Geert Lap en Diek Zweegman dan al die tien jaar gedaan? Heel veel wellicht - maar Standpunten toont het niet, want ze hebben kennelijk zichzelf bedropen. De bedenkers van Standpunten maken de leemte eens zo schrijnend door hun tentoonstelling als de nieuwe mijlpaal na de in 1987 gehouden manifestatie Holland in vorm te afficheren.

Dat is ze niet, bij lange na niet, alleen al door het ontbreken van een fatsoenlijke catalogus. Holland in Vorm bood inderdaad een overzicht van na-oorlogse vormgeving, gepresenteerd door vier belangrijke musea. Men kon er ontwikkelingen en onderlinge beïnvloeding ontdekken, en een Hollandse stijl ontwaren. Dat is heus andere koek dan een verjaarspartijtje in een kunsthal.

Karig is het woord dat past bij de inhoud en presentatie - op brave sokkels en tegen dito systeemwandjes - van Standpunten. Niettemin wordt er wel iets duidelijk, namelijk dat het volgens het Fonds in het buitenland zo geliefde Dutch design zich aan geen enkel adagium meer houdt. Ieder laat zijn fantasie de vrije loop, (ogenschijnlijk) los van traditie en conventie.

Dat levert vrije vormen en soms grappige resultaten op, zoals het opbollende 'champignonjasje' van Jolanda Luymes en de knijpkraan van Dirk van Hoff, maar een nadeel is dat expositie in het algemeen noch ontwerpen in het bijzonder een gezicht krijgen, en daarmee een keur- en kwaliteitsmerk.

Opvallend - op de met Standpunten vergelijkbare eindexamenexposities van de kunstacademies blijkt dat ook steeds - is vooral dat de textiele ontwerpen een hoge kwaliteit hebben. Het 'netwerk van paardenhaar en katoen' van Marian Bijlenga is van een fascinerend raffinement, meer een wandsculptuur maar ook bruikbaar als o zo fragiele vitrage. Anja de Roos maakt een lap stof door repen aan elkaar te bevestigen met knoopjes en de op het bewegend menselijk lichaam gemaakte sculpturen van Maria Blaisse zijn nog steeds even mooi als voorheen.

Uiteraard is er ook veel grafische vormgeving - een na-oorlogs Nederlands paradepaard - maar echte verrassingen bieden de over de gehele expositie verspreide werken niet. Ze zijn mooi en vindingrijk en, zo te zeggen, op oude en vertrouwde wijze revolutionair. Op studentikoze wijze is ook de koffiezetmachine waarin Eibert Draisma een 'wc-eend'-fles verwerkte, revolutionair, maar het is een grapje dat niks oplevert. Het is kitsch, net als de espresso-machine van Bart van Heesch, die eruit ziet als een blokkendoos. Verschil met de als bloembak gebruikte autoband is er nauwelijks maar een fabrikant ziet er naar het schijnt brood in.

Echt opkijken deed ik eigenlijk alleen van twee ontwerpen: de 'soft-tiles' van Saar Oosterhof - zachte van glitter voorziene poly-urethaan vloertegels in veel kleuren - en het olie- en azijnstel van Arnout Visser. Visser geeft een nieuwe dimensie aan stelregel form follows function met zijn ragfijne glazen retort, waarin olie op de azijn drijft. Beide vloeistoffen hebben hun eigen tuitje. Wat er gebeurt als er mee geschud wordt, is de vraag. Als er dan een dressing ontstaat, blijft het ontwerp geslaagd. De schoonheid ervan slaagt er in elk geval bijna in je te verzoenen met het schamele Standpunten.

    • Pieter Kottman