'Onze doden verdwijnen in gat van vergetelheid'

Paramilitairen, zogenaamd optredend tegen de guerrilla, teisteren met extreme wreedheid, moordlust en willekeur grote delen van Colombia. Vaak werken ze samen met het leger.

BOGOTA, 10 JUNI. Vijfentwintig lege kisten op het plein. Daarin alleen foto's, van de gezichten van vierentwintig jonge mannen en één vrouw. Hun lichamen zijn elders. Verminkt, verbrand. Ergens, op een plek die de mensen die van hen hielden niet kennen. Nooit zullen kennen, waarschijnlijk.

Een jonge vrouw houdt zich vast aan één van de kisten. In twintig dagen raakte ze haar beide broers kwijt. “Ik wil hem zien. Ik wil zijn lichaam zien.” Tranen op het gezicht van de vrouw. De menigte. Een legertank probeert door de menselijke barricade rond de kisten te dringen.

Zo werden in de Colombiaanse oliehaven Barancabermeja dit weekend de slachtoffers van een paramilitaire slachtpartij 'begraven'.

Het was de achtste dit jaar. Ten koste van 141 levens. Sommige slachtoffers zaten thuis. Sommigen waren aan het feesten. Er was bazar in de wijk. Suikerspinnen, draaimolens. Toen stond het leven stil. Gepantserde terreinwagens reden de stad binnen. Gewapende mannen sprongen naar buiten. Ze hadden maskers of beschilderde gezichten. Ze schoten. Ze schreeuwden, en hadden namenlijsten bij zich. Mensen belden stiekem de legerpost die op vijf minuten afstand lag. Twee uur lang ging het door. Mensen werden uit de menigte gerukt, uit hun huizen gehaald. Ze werden in de terreinwagens gestopt.

Pas toen de paramilitairen weg waren, kwam het leger. Ze telden elf lijken. Vijfentwintig mensen verdwenen. “Levend zijn ze meegenomen, en levend eisen we ze terug”, zei de bevolking, en blokkeerde de stad. De autoriteiten kwamen en smeekten: het land heeft de olie uit Barancabermeja nodig. Laat het lot van uw geliefden aan ons over. Organen, commissies, bemiddelaars.

Nu, twintig dagen later, blijken de gegijzelden allang dood. Kort na hun ontvoering zijn ze 'ondervraagd', 'berecht' en in brand gestoken. Zo schrijven althans de paramilitairen in het 'communiqué' dat afgelopen vrijdag bij de regering in de bus viel: “Laat duidelijk zijn dat alle 25 subversieven zijn van de guerrillaorganisaties ELN en EPL”, schreven ze. Alfredo Manrique (34) zucht: “Stuk voor stuk ongewapende burgers, van wie in niet één geval een connectie met de guerrilla is vastgesteld.”

Zijn bureau ligt vol landkaarten, computeruitdraaien, statistieken. Manrique brengt de dood in kaart. Sinds drie maanden werkt hij aan het eerste 'bloedbadenoverzicht' van Colombia. “Al decennia verdwijnen onze doden in het gat van de vergetelheid”, zegt de ambtenaar van de Defensoria del Pueblo, een overheidsorgaan dat zeven jaar geleden werd ingesteld ter bescherming van de rechten van het volk. “Zo gebeurt het dat in Colombia meer dan 95 procent van de moorden ongestraft blijft.” Manrique graaft tussen zijn papieren. Zijn team heeft 288 massamoorden geteld in het afgelopen jaar. “Het openbaar ministerie was nog niet van een kwart ervan op de hoogte.”

Hoe kun je het dan over een rechtsstaat hebben? Een maatschappij waarin een minimum aan bescherming van een mensenleven bestaat? “Het is cynisch te horen hoe de twee kandidaten voor de presidentsverkiezingen van 21 juni de mond vol hebben over 'verandering' en 'vernieuwing'. Het simpele woord mensenrechten heb ik hen niet één keer horen uitspreken.”

Ondanks de structurele tegenwerking door de opeenvolgende regeringen is de Defensoria uitgegegroeid tot een alom gerespecteerde instantie. Ambtenaren wagen hun leven in gebieden waar de ratten nog wegvluchten. Ze verzamelen informatie, klagen aan, helpen. “Het was even adem halen. Een droom van leven”, vertelt een jonge vrouw in het kantoor van Manrique. Ze is een mensenrechtenactiviste uit de provencie Méta. Ook in haar dorp richtten paramilitairen een bloedbad aan. Twintig boeren, door het doodseskader uit hun huizen gehaald, op 4 mei vermoord op een open plek buiten het dorp. “Eén, de volgende dag twee, dan weer één, en twee”, vertelt de vrouw aan Manrique. Dat is sindsdien het moordritme in haar dorp. Ze herinnert zich het bezoek van de 'defensor' twee weken geleden. Even was er lucht. Er werd gezongen en ook gedanst. “Toen jullie om twee uur 's middags weggingen zeiden we: bleven ze maar eeuwig.” Om zes uur vielen weer de eerste doden. Een man en een jong meisje. Kogels in hun hoofd. “ Ze was een vriendin”, zegt de vrouw en zwijgt. Zoals honderden anderen staat ook zij op het punt door de Colombiaanse regering geëvacueerd te worden. Alleen in het buitenland denken ze de mensenrechtenactivisten nog te kunnen beschermen. In Canada, Europa. En dan? Wachten. Maar waarop?

Manrique bladert door zijn uitgeprinte stapel. “Tien zwaarbewapende paramilitairen, gemaskerd en gekleed in legeruniformen, vielen het gehucht Dabeiba binnen. Ze sloegen de deur van een boerderij in en namen vader en drie zoons mee. Uit andere huizen werden nog drie boeren ontvoerd. De lichamen werden later in op een verlaten plek teruggevonden. Provincie: Antioquía. Datum: 27 juli. Aantal slachtoffers: 7” Zo gaat het door. Vierenzeventig bladzijden lang. “Paramilitairen executeerden 12 boeren in Miraflores. Driehonderd bewoners hebben de streek verlaten. 17 oktober.”

En toch. “Het eerste dat bij ons onderzoek opviel is dat massamoorden door paramilitairen vrijwel niet voorkomen in de statistieken van het leger en politie”, vertelt Manrique. Wat ook opviel is de extreme wreedheid van de paramilitairen. “Na de huid van drie bewoners te hebben afgestroopt sneden de paramilitairen drie anderen de keel door. Vijf dagen lang hielden ze de 250 dorpelingen onder bedreiging op het plein voor de kerk”, staat er over de moord op elf boeren in Ituango op 23 oktober. De 64-jarige eigenaar van de enige winkel werd een hele dag aan zijn voeten in een boom gehangen. “'s Avonds vermoordden ze hem, na hem gemarteld te hebben. Ze sneden zijn hart en ogen uit. De volgende dag dwongen de paramilitairen zijn vrouw en kinderen het lichaam te bekijken.”

En steeds weer is er de tweeslachtige rol van het leger. Zoals in Itaguango. Een paar boeren probeerden te vluchten, toen de paramilitairen even niet opletten tijdens het afsnijden van de keel van weer volgend slachtoffer. “Maar ze kwamen niet ver, omdat het leger dat in de buurt was hen weer terugstuurde naar het dorpsplein.” Er zijn legerhelikopters die munitie voor de paramilitairen invliegen.

“Het enige waar de mensen nog op hopen is internationale aandacht”, zegt Alfredo Manrique en herhaalt de wanhoopskreet die Amnesty International en Human Rights Watch de afgelopen dagen hebben geuit. “Zolang de militairen doorgaan samen te werken met de paramilitairen zal de gruwel in Colombia doorgaan.” 1428 doden in massaslachtingen het afgelopen jaar. Manrique telt de gruwelen van Colombia.

    • Marjon van Royen