Murray Perahia komt voor twee concerten naar Nederland; 'Pianospelen was het enige dat ik kon en wilde'

Vijf jaar lang kon pianist Murray Perahia door een blessure niet optreden. In die tijd luisterde hij veel naar Bach. “Ik was de wanhoop zo nabij dat ik hem nodig had, muzikaal én geestelijk.” Deze week speelt Perahia in Nederland werk van onder anderen Bach.

Murray Perahia: 12/6 20.15 uur Concertgebouw Amsterdam; 14/6 14.30 uur De Doelen Rotterdam. Muziek van Bach, Beethoven en Schubert.

PARIJS, 10 JUNI. “Bij Beethoven moet je de toetsen bijna duwen. De nocturnes van Chopin worden bij wijze van spreken plakkend gespeeld. Technisch heet dat legato, maar dat zegt niet alles. Zeker is dat de techniek van een pianist varieert met de componist die hij speelt. Je moet nadenken hoe je je handen houdt. Beethoven is meer naar voren, bij Chopin gaat het om golven, niet de losse noten...”

Murray Perahia (51), een van de grote pianisten van zijn generatie, is net in Parijs aangekomen uit Genève voor een concert in de Salle Pleyel met drie Engelse suites van Bach, Schuberts 19de sonate (D958) en twee Beethoven-sonates, waaronder de 'Mondschein'. Vrijdagavond brengt hij het zelfde programma in Amsterdam en zondagmiddag in Rotterdam.

Zijn koffers liggen nog op het Parijse hotelbed, maar Perahia is al weer verdiept in zijn roeping, het vak dat hem koos. “Ik heb nooit besloten musicus te worden. Het overkwam me. Ik had geen keus nadat mijn vader mij als drieënhalf jaar oud jongetje mee naar de Metropolitan Opera had genomen. Dit was het enige dat ik wilde en kon.” Zijn vader, die in de damesmode werkte, en later in een synagoge, stierf vorig jaar op 96-jarige leeftijd.

Murray Perahia geeft gemiddeld twee concerten per week, acht maanden per jaar. Reizen, hotels, zalen, vreemde vleugels. “Het is geen makkelijk leven, verre van romantisch.” Hij heeft zich dit weekeinde beter door de stakingsperikelen op het vliegveld Charles de Gaulle heen geslagen dan zijn collega Andras Schiff. Hem stond de chaos bij aankomst in Parijs zo tegen dat hij zaterdag rechtsomkeert maakte en zijn gehoor in de Cité de la Musique vergeefs liet wachten op zes partita's van Bach.

Hoewel Perahia de glamour van het concertleven niet hoog aanslaat is hij meer dan gemiddeld verheugd te kunnen optreden. Tussen 1991 en 1996 zat hij thuis in Londen waar hij zich had gesneden aan een stuk papier. Zijn rechterduim ontstak en bleef opspelen ondanks paardenmiddelen. Pas na vijf operaties en jaren angst dat zijn loopbaan voorbij was, kon hij weer aan de slag. De pianist, in New York geboren uit Spaanse sefardische joden die via Griekenland naar Amerika waren gekomen, vond het geen straf eindelijk zijn vrouw en twee zoons wat meer te zien, maar muzikaal zocht hij troost bij Johann Sebastian Bach.

“Ik voelde me altijd al aangetrokken tot Bach, maar het kwam er pas echt van in die bijzonder zware periode. Ik was de wanhoop zo nabij dat ik hem nodig had, muzikaal én geestelijk. Ik heb heel veel naar hem geluisterd en zijn werk bestudeerd. Vóór die tijd hield ik van Bach zonder hem echt te begrijpen. Nu kreeg ik voor het eerst door wat de essentie van zijn muziek is, emotioneel én technisch. Bach gaat over de wetten van de muziek. Over de ontwikkeling van stemmen, over hoe contrapunt de harmonie verrijkt. Als je dat soort technische punten intensief bestudeert blijken ze diep emotioneel te zijn. Het gaat om het drama, het leven van de tonen. Hij vond dat niet uit, maar niemand vóór Bach had de ruimte, de visie om dat zo te laten uitgroeien. Mozart, Beethoven, Schubert, Brahms, ze namen het allemaal over. De wetten waren inmiddels uitgelegd. Zoon C.P.E. Bach had er over geschreven. Bach moet daar eenzaam in zijn geweest.”

Perahia, die op het concertpodium met bijna gesloten ogen in een andere wereld lijkt te verkeren, praat in korte, heldere zinnen. Met vriendelijke open ogen, zonder valse bescheidenheid. Hij weet dat hij een uitzonderlijk talent is, maar brengt even makkelijk onder woorden wat hij ziet als zijn tekortkomingen. “Ik heb die jaren dat ik niet kon spelen veel gelezen over techniek. In zekere zin had ik die verwaarloosd. Instinctief redde ik het wel. Je kunt ook niet alles in je leven. Maar je moet natuurlijk zo veel aan je techniek werken dat je tot uitdrukking kunt brengen wat je wilt zeggen. Daarbij probeer ik niet één juiste manier van spelen in mijn hoofd te hebben. Ik werk aan een conceptie van een stuk. Dat laat je de vrijheid het op verschillende manieren te spelen. Ik hecht grote waarde aan spontaneïteit.”

Hoe houdt hij de Mondschein-sonate spontaan, het stuk dat zo vaak is opgenomen en dagelijks wordt gedraaid? Perahia typerend: “Ik probeer onder de noten te kijken, de structuur te vinden. Wat houdt het bij elkaar? Voor mij hoort het verhaal van de laatste scènes van Romeo en Julia er bij, maar dat is niet erg belangrijk. Ik zoek de emotionele lading en werk de opeenvolging van akkoorden af, kijk hoe ze bij elkaar opgeteld het stuk maken. In dit geval komt veel voort uit de openings-arpeggio. Zo ontleed ik een stuk. Dan wordt het onbelangrijk hoe anderen het spelen of welke associaties de mensen er bij hebben. Mijn associatie is die arpeggio, die het hele stuk voortbrengt. Die zal voor mij altijd fris blijven. Overigens ben ik tot de conclusie gekomen dat het stuk altijd twee keer te langzaam wordt gespeeld.”

Perahia neuriet het thema zoals het meestal wordt gespeeld. “Zo langzaam kan je dat arpeggio niet goed volhouden.” Het tweede deel van de sonate wordt volgens hem altijd te snel gespeeld: “Allegretto sostenuto hoort langzaam bij Beethoven. Zonder er naar te zoeken heb ik tempi gekozen die afwijken van wat gebruikelijk is.”

Beethoven blijft voorlopig Perahia's aandacht houden. Hij noemt Beethoven en Chopin de constanten in zijn repertoire. Hij werd bekend met alle pianoconcerten van Mozart, nadat hij in '72 was doorgebroken door het pianoconcours in Leeds te winnen. Zijn vriendschap met Horowitz in de late jaren '80 bracht hem tot een hier en daar bekritiseerde verbreding naar het meer virtuoze repertoire (Liszt, Rachmaninov, Franck, Skrjabin). Ook Schumann is voor hem belangrijk.

Gerijpt door zijn onvrijwillige werkonderbreking wil Perahia nu de late Schubert-sonates verder ontwikkelen en Bachs Goldberg-variaties ter hand te nemen. Voor de twintigste-eeuwse componisten trekt hij de grens bij de tonaliteit. “Hoewel, ik wil niet dogmatisch zijn.” Perahia, die Berg en Tippett opnam, en Britten en Bartók veel speelde, heeft zin zich aan Ligeti te wagen. Of dat doorgaat bepaalt hij zelf, niet zijn platenmaatschappij. “Klassieke muziek staat er in de platenwereld niet zo florissant voor. Soms lukt het me ze ervan te overtuigen iets op te nemen waar ik vol van ben, soms niet. Maar mijn repertoire is louter een weerspiegeling van mijn passies.”

Perahia bekent dat het hem niet meer uitmaakt waar hij speelt, Tokio, Parijs of Amsterdam. De stilte van het publiek draagt hem, maar hij creëert zijn eigen wereld. Als ik hem vraag of hij tijdens zijn retraite nog is gestuit op de Matthäus Passion - in Nederland een soort geestelijk volkslied - blijkt een oude verwantschap. “Ik heb een prachtige opname van Mengelberg, in een stijl die nu gedateerd is, maar mij heel dierbaar. De Matthäus heeft mij sterk beïnvloed. Ik heb hem voor het eerst gehoord toen ik elf of twaalf was. Casals dirigeerde hem in New York. Het heeft mijn leven veranderd.”

Een groot vertolker moet ook componeren, heeft hij wel eens gezegd. Is hij bezig? “Zeker.” Perahia duikt in een grote, rechthoekige sporttas vol kleren. Hij graaft en graaft. Dan komt een ringband te voorschijn vol noten in potlood. “Sommige fragmenten zijn geïnspireerd door anderen, sommige zijn analyses, en er zijn echte composities bij, geen voltooide werken. Ik ben niet echt een componist. De meeste zijn harmonische ideeën die ik wil uitwerken. Ik moet muziek horen, ook als ik geen piano bij de hand heb.”

    • Marc Chavannes