Eén - nul

Voetballen kunnen ze niet, maar koken des te beter. De Belgen zouden een duel der lage landen op het gastronomische speelveld glansrijk winnen. Gelukkig heeft het Nederlandse team in de haring een degelijke doelverdediger, de culinaire Edwin van der Sar. Als de haring tenminste mag worden opgesteld, de Hollandse nieuwe komt tegenwoordig meestal uit Denemarken. Ook de drop, wereldberoemd in Nederland, is steeds vaker van Deense afkomst. Met de mossel, de kaas, de stamppot, de jenever, het speculaasje en de pannenkoek hebben we de talentvolle Nederlandse spelers wel gehad.

België heeft een team van louter kanjers. Neem het sterrenrestaurant. Gemeten naar het aantal inwoners heeft België de meeste restaurants met een of meer Michelinsterren ter wereld. Het zijn er tweeëneenhalf keer meer dan in Nederland. Ook het Belgische middenklasserestaurant is sterk. Waar vind je ze in Nederland nog, ouderwetse, degelijke, burgerlijke zaken, zonder culinaire fratsen, zonder gastronomische nieuwlichterij, restaurants die al jaren dezelfde kaart voeren, die perfect uitgevoerde, klassieke gerechten laten serveren door echte obers?

Sterspelers voor België zijn producten als Ardenner ham, Mechelse koekoek, bieren, wafels, bonbons, spruitjes, hopscheuten en witloof. Over de witloof zegt de Belgische auteur Lucas Catherine: “Die Hollanders toch, zij kunnen het niet klaarmaken, maar zij willen het ons wel leren spellen.”

Zelfs de Belgische diepvriesgroentesoep is beter. In beide landen staat er Iglo op het shirt, maar wat een verschil in inhoud en karakter. De Belgische groentesoep is een heldere bouillon met flinke stukken vlees en beetgare, grof gesneden, herkenbare groenten. De Nederlandse is een groenig nat met doorgekookte groenten en uitgeloogde balletjes, die een belediging zijn voor het begrip gehakt.

Met gerechten van faam heeft België voor elke plaats in het gastronomisch elftal een dubbele bezetting: waterzooi, paling in het groen, Oostendse tong, frieten, pistolets met gekapt en pikkels, tomaatgarnaal, asperges op Vlaamse wijze en het koninginnenhapje.

Hoe treurig is het gesteld met de Nederlandse tegenspeler van het koninginnenhapje, het pasteitje. Het pasteitje is een treffend symbool van misstanden in de vaderlandse keuken. Het is veelal een deplorabele affaire, een bakje van slap bladerdeeg, een als behanglijm ogende, bremzout smakende substantie met hier en daar een plakje champignon uit blik en een droevig restantje kippenvlees. Wie ooit in België een koninginnenhapje heeft gegeten, begrijpt de bittere teleurstelling die een Belg moet ondergaan als hij in Nederland een pasteitje neemt. Hij mist de halve kippenborst, de kalfsgehaktballetjes en de saus op basis van een roux, afgemaakt met bouillon, eierdooier en citroensap.

De Belgische lezer van dit stukje zal na deze opsomming instemmend knikken. Het gastronomisch chauvinisme van de Belgen gaat gelijk op met de bloei van hun keuken. Met genoegen wrijven ze het de Nederlanders in. De 'Hollanders' moeten het bijvoorbeeld zwaar ontgelden in het boekje 'Keukens aller landen' van Catherine. Nederlanders kunnen niet koken omdat ze aan de eerste vereiste van een kok niet voldoen, namelijk zelf smakelijk koken. En dat komt door het protestantisme. 'Een land waar zowel Luther als Calvijn een lepel in de kookpot hebben, kan alleen maar snert koken.' Een veelgehoorde verklaring, maar kan het niet net zo goed andersom zijn? In een land waar men smakelijk kookt krijgt het protestantisme geen voet aan de grond. Eten katholieken lekkerder?

De Nederlandse lezer van dit stukje zal ook instemmend knikken, en dat is veelbetekenend. Verschijnen in België boeken met titels als 'In België eet iedereen lekker', de Nederlander kan het niet laten met dédain over de eigen keuken te spreken. Van het veronderstelde superioriteitsgevoel van de Nederlanders is in keukenzaken weinig over. Gastronomisch chauvinisme is ons vreemd. En zo wordt het natuurlijk nooit wat met de Nederlandse keuken. Gastronomie by speech, dat kunnen we van de Belgen leren. Als zij zich nu maar niet gaan aanpraten dat ze ook kunnen voetballen.