De voetbalstaat

In 1991, toen de oorlog in Joegoslavië was begonnen maar nog niet tot de grote moordpartij was geworden, heeft Velibor Vasovic, belangrijk Joegoslavisch voetballer in Nederlandse dienst, geopperd de strijd op het voetbalveld te beslechten. Een gezond, humaan voorstel van iemand die wist wat er zou gaan komen en in de overschatting van zijn sport geloofde dat dit kon worden verhoed door de partijen volgens vastgestelde regels tegen een bal te laten trappen.

Oorlog is voortzetting van de politiek met andere middelen, heeft Carl von Clausewitz vastgesteld, en voetbal is oorlog, heeft Rinus Michels gezegd, maar daaruit volgt niet dat voetbal voortzetting van de politiek met andere middelen is. Ook niet in het geval van de voetbaloorlog tussen Honduras en Nicaragua. Daar was een wedstrijd de aanleiding, zoals een opera de aanleiding is geweest voor de opstand van de Belgen tegen Nederland. Voetbal is hoogstens een bijzondere nasleep van de politiek. Leon de Winter heeft verschrikkelijke herinneringen aan de dag, die dag, de zwarte dag, enz. de dag namelijk in 1974 waarop Nederland in de eindstrijd van de Duitsers verloor. Hij is de enige niet. Maar er is een troost: het afstandsschot van Arie Haan, vier jaar later, waarmee deze nationale held de arrogante Sepp Maier velde. Of wegvaagde. Of terechtstelde. Of enz. Eerst hadden we de oorlog van de Duitsers verloren, toen in München nog een keer, en weer ten onrechte, maar in Argentinië kwam er eindelijk rechtvaardigheid. In de staat Argentinië heerste de dictatuur waardoor het voetbal even in een moreel dilemma dreigde te komen, zoals onlangs met de oefenwedstrijd tegen Nigeria (deze krant besloot op 25 februari 1978 het hoofdartikel Voetballen met de oproep: “Wat ons betreft: niet gaan.”), maar achteraf bezien is het belangrijker dat Arie Haan de gelegenheid kreeg om wraak te nemen voor het onrecht van München. Politiek, oorlog en moraal zijn onderling nauw verbonden, maar met voetbal hebben ze minder te maken.

Sociologen en psychologen verdiepen zich in de vraag wat voetbal eigenlijk is, want dat het meer is dan een sport staat als een paal boven water. Een moderne vorm van stammenstrijd. De ongevaarlijkste versie van het gladiatorengevecht. Kanalisering van de agressie tot een dramatisch spel, zo meeslepend dat miljoenen er telkens weer naar willen kijken. Daardoor komt het dat enkele duizenden er fortuinen mee verdienen. Voetbal wordt economie, een industrie. De voorstelling wordt steeds verder geperfectioneerd; ieder volgend wereldkampioenschap nog meer spektakel dan het vorige. Hoe is dat mogelijk? Er zullen weinig verschijnselen zijn waarin de wetenschap zich zo vruchteloos verdiept als in het voetbal. En als het raadsel was opgehelderd zou dat niets aan het verschijnsel veranderen.

Voetbal is een staat in de staat, met eigen paleizen, wetgeving, pers, economie, zeden en gewoonten, en een nationale regering die een eigen binnenlandse en buitenlandse politiek voert maar weer ondergeschikt is aan de voetbalwereldregering. De Nederlandse voetbalstaat begint met zijn 'clubcard' zelfs een eigen fraudebestendige pas en een grenscontrole te ontwikkelen. Er zijn 'natiestaten' en 'voetbalstaten', die over het algemeen vreedzaam naast elkaar bestaan, wat niet wil zeggen dat ze dezelfde belangen hebben. Soms botsen de belangen. Dat gebeurt als een contingent min of meer bewapende burgers van de voetbalstaat een trein of een tram van de natiestaat kort en klein slaat. In de gewone buitenlandse politiek zou dat een reden zijn om een oorlog te overwegen. In de verhouding tussen natiestaat en voetbalstaat is het een gebruikelijke schermutseling aan de grens. Een goed voorbeeld van een zuiver politiek conflict tussen de voetbalstaat en de natiestaat heeft zich kortgeleden in Rotterdam afgespeeld, toen de voetbalregering een wedstrijd om zes uur 's avonds wilde laten beginnen en burgemeester Peper van mening was dat drie uur 's middags de natiestaat beter paste.

Jan Blokker gelooft dat de natiestaat niet tegen de voetbalstaat is opgewassen. “Als de volkerenorganisatie al niet tegen klein-Joegoslavië op kan, wat zou het kleine Nederland dan moeten beginnen tegen Koning Voetbal met zijn legertje van tot de tanden gewapende supporters [...] en de ware collaborateurs in de beslissende oorlog van de westerse beschaving: de verslaggevers van Studio Sport.” Maar in Rotterdam heeft de burgemeester het gewonnen. Je zou het als een soort Alkmaar kunnen zien. Als voetbal oorlog wordt, dan niet op het voetbalveld maar tussen de voetbalstaat en de natiestaat. Het hoeft niet, maar het is nooit uitgesloten.

Behalve een staat is voetbal een beschaving, of een cultuur: van het scoren, de extase, de kick, de georganiseerde roes als het zo uitkomt. De gewone cultuur neemt steeds meer van de voetbalcultuur over, of deelt erin. En de voetbalcultuur is in ieder geval nog machtiger dan de voetbalstaat. Misschien is de voetbalstaat wel in dienst van zijn cultuur; dat zou eens moeten worden uitgezocht. Te beginnen met vandaag zal de voetbalcultuur alles wat er verder in en tussen de gewone burgerlijke staten gebeurt verdringen. Op 13 juli, de dag na de finale, zijn we terug in de voetballoze wereld. Dat zal dan niet lang duren.

    • H.J.A. Hofland