De tijd van de lastenverlichting is voorbij

Algemene lastenverlichting die tot doel heeft meer banen te scheppen is niet meer nodig. Hans van den Akker en Jan Peter Balkenende vinden dat de hoogconjunctuur gebruikt moet worden om het financieringstekort verder terug te brengen en specifieke maatregelen te nemen ten behoeve van de arbeidsmarkt.

Als er voor de laatste Tweede-Kamerverkiezingen op sociaal-economisch terrein één uitdrukking was die door de paarse partijen heilig werd verklaard, was het wel 'algemene lastenverlichting'. Het tij rondom lastenverlichting kentert echter in hoog tempo. De Nederlandsche Bank adviseert tot belastingverhoging om de groei van de economie te matigen. Het huidige overheidsbeleid wordt door de bank strijdig geacht met het Stabiliteitspact binnen de Europese Economische en Monetaire Unie (EMU), dat bepaalt dat landen dienen te streven naar begrotingsevenwicht. In slechte jaren mag er een bescheiden tekort zijn, maar daar behoort tegenover te staan dat er in goede jaren een overschot is. Ondanks de hoge groei in Nederland - momenteel zelfs boven de 4 procent - loopt het financieringstekort hier zelfs op.

Wordt het langzamerhand niet tijd, zeker in de Haagse politiek, de retoriek van algemene lastenverlichting terzijde te schuiven en te letten op wat echt nodig is? Lastenverlichting c.q. loonkostenmatiging is in de jaren tachtig ingezet om de economie beter te laten draaien en de werkgelegenheid te bevorderen. Lange tijd heeft deze formule goed gewerkt. Het was een belangrijke aanjager in de economie. Maar geldt dat nu nog? Op dit moment kan niet meer gezegd worden dat met generieke lastenverlichting tal van banen kunnen worden gecreëerd. De banen ontstaan door een geweldig goed draaiend bedrijfsleven en door de kracht van de Nederlandse economie. Het probleem dat zich momenteel aandient is: hoe vindt een onderneming de goede vaklieden? Er ontstaan spanningen op de arbeidsmarkt. Het recept van algemene lastenverlichting lost dat probleem niet op. Er zijn nieuwe wegen nodig.

Lastenverlichting is in het verleden ingezet om de loonkostenmatiging te bevorderen. Prima. Op die manier werkte de overheid mee aan de bevordering van de concurrentiekracht van de Nederlandse economie. Mede door de gematigde CAO-afspraken in die jaren versterkte onze concurrentiepositie. Maar ook hier geldt: moet het vertrouwde spoor dan onveranderd worden gevolgd? Momenteel worden in veel CAO-onderhandelingen afspraken gemaakt waarbij loonstijgingen van 3,75 procent of hoger eerder regel dan uitzondering zijn. Kennelijk zijn de draagkracht van de economie en de loonruimte voldoende om dit alles mogelijk te maken. Moeten deze loonstijgingen dan vervolgens ook nog door de overheid makkelijker worden gemaakt door meer generieke lastenverlichting? Wie dat bepleit, heeft toch een merkwaardig beeld van de economische werkelijkheid.

Wie de feiten onder ogen ziet, ontkomt niet aan het gegeven dat nog verdere algemene lastenverlichting in de huidige economische omstandigheden met een hoge economische groei op den duur zich tegen ons zal keren. Voor de inkomensvorming en de consumptiemogelijkheden van vooral de werkenden is het allemaal prachtig, maar is het dat ook voor een duurzame ontwikkeling van de Nederlandse economie?

De waarschuwingen van De Nederlandsche Bank zijn glashelder. Maar ook vanuit andere instanties, zoals het onderzoeksbureau Nyfer van de Universiteit Nijenrode en het Centraal Bureau voor de Statistiek, wordt gewaarschuwd tegen het onverkort doorgaan op het lastenverlichtingsspoor. Economen als Koedijk (Universiteit Maastricht) en Verbon (Katholieke Universiteit Brabant) lieten al eerder hun waarschuwingen horen. De boodschap is voor geen tweeërlei uitleg vatbaar: generieke lastenverlichting in een hoogconjunctuur is niet wenselijk. Landen als Zweden en Denemarken hebben inmiddels gekozen voor belastingverhoging om de economie te temperen. Of dat voor Nederland een wenselijke ontwikkeling is, is nog de vraag. In ieder geval is er alle reden aan algemene lastenverlichting een duidelijke lagere beleidsprioriteit toe te kennen.

Nu het economisch goed gaat, is er reden extra werk te maken van de soliditeit van de overheidsfinanciën. Juist nu behoren deze op orde te worden gebracht. Het is beschamend dat het financieringstekort in Nederland oploopt in de huidige hoogconjunctuur, van zo'n 1,4 procent naar 1,6 procent of hoger. Daar komt nog bij - zo bleek zeer recent - dat in de sector onderwijs een tekort ('lijk in de kast') bestaat van een miljard. De paarse coalitie heeft zichzelf geprezen voor de miljarden lastenverlichting in de afgelopen jaren. Van de extra ruimte van 16 miljard gulden in de afgelopen kabinetsperiode is slechts een kwart benut voor verdere tekortreductie. Was het, zeker in de de tweede helft van de laatste kabinetsperiode, niet beter geweest meer ernst te maken met reductie van het financieringstekort en verdere verlaging van de staatsschuld? Alles wat nu aan lastenverlichting wordt geboden, moet immers ooit worden terugbetaald. De lastenverlichting die de paarse partijen in de verkiezingstijd voor de komende vier jaren beloofden wordt in belangrijke mate bekostigd door hogere financieringstekorten in de jaren tussen 1998 en 2002. Het Centraal Planbureau noemt dat cryptisch de 'tussentijdse opwaartse tekorteffecten'. Het gevolg van deze aanpak is dat de staatsschuld van de paarse partijen zo'n tien tot twaalf miljard gulden hoger uitkomt in 2002 dan in de plannen van het CDA. Lastenverlichting betekent dan niets anders dan het doorschuiven van lasten naar de toekomst - en dat bij een groei van zo'n 4 procent.

Ondanks de positieve ontwikkelingen zijn er fundamentele problemen. Te veel mensen staan aan de kant, niet in de laatste plaats omdat zij de nodige kwalificaties voor de arbeidsmarkt missen. Als er iets nodig is, is het wel het investeren in de capaciteiten van mensen. Vooral het beroepsonderwijs en scholing vergen extra aandacht. Het probleem van de te geringe aantallen vaklieden moet worden opgelost en dat lukt niet met algemene lastenverlichting. Door het tekort aan vaklieden komt de grens van de economische groei in zicht. Een goede beroepsopleiding verhoogt de werkzekerheid van mensen, ook in slechtere economische tijden. De aanspraken op de sociale zekerheid kunnen daardoor verminderen. Betrokkenheid bij en participatie op de werkvloer leveren ook een bijdrage aan bijvoorbeeld de terugdringing van de criminaliteit, meer in het bijzonder onder jonge mensen. Ook voor andere dringend noodzakelijke uitgaven ten behoeve van de kwaliteit van de samenleving, met name zorg - denk aan de verdergaande vergrijzing - en veiligheid, dienen middelen te worden vrijgemaakt.

De signalen van De Nederlandsche Bank, van diverse economen, van beleidsstappen in andere landen zijn duidelijk: doe wat gedaan moet worden, breng nu het economisch goed gaat de overheidsfinanciën op orde en tracht problemen gericht op te lossen. Wat in ieder geval niets oplost, is het uitgaan van hogere groeicijfers voor de komende kabinetsperiode en daarmee tornen aan het behoedzame scenario, zoals de PvdA nu lijkt te suggereren. De dagen van algemene lastenverlichting zijn op dit moment voorbij. De paarse coalitie in wording zal het na alle beloftes van de verkiezingen op 6 mei jongstleden moeilijk vinden dit te erkennen. Het risico van politieke ongeloofwaardigheid ligt inderdaad op de loer. Maar behoort het, met het oog op de toekomst, te gaan om politiek opportunisme of om politieke moed de bakens te verzetten als de financieel-economische ontwikkelingen dat vergen? De keuze ligt naar onze opvatting voor de hand.