Vermetel verzet

Ruïnes in Nederland. Uitgeverij Waanders ƒ 59,50. ISBN 90 400 9974 X

In een brief die in de literatuurgeschiedenis bekendstaat als 'De grote biecht', vroeg de Pruisische patriot en praatgraag dichter Theodor Storm zich af: is er op de wereld iets uitgebloeiders dan een verwelkte blondine? Iets meer dan een eeuw later luidt het enig correcte antwoord: een gerestaureerde ruïne. Aftakeling en verval door het knagen van de tand des tijds is het kenmerk van een ruïne, daarom luidt sinds jaar en dag het adagium van Monumentenzorg: behouden gaat vóór vernieuwen. Toch wemelt het op de valreep van het vorig jaar verschenen, succulent geïllustreerde boek Ruïnes in Nederland van de treurigstemmende reconstructies. Geen cosmetische, vervalvertragende ingrepen, maar rigoreus afgebroken en opnieuw opgetrokken en daardoor geruïneerde ruïnes.

Ruïnes zijn irritant: ze zijn passief en pessimistisch, nemen plaats in maar leveren niemand gewin op. Ze wijzen ons erop dat we ouder worden, gebreken gaan vertonen, ontkrachten de portee van Dravi Deutschers smartlap Marmör, Stein und Eisen bricht, aber unsere Liebe nicht. Ruïnes zijn in essentie tekens aan de wand van ons benul. Het boek maakt duidelijk dat begroeiing - varens en klimop, grassen en mossen - in tegenstelling tot wat algemeen wordt gedacht helemaal niet schadelijk is. Integendeel: vegetatie vertraagt afbraak. Het bladerdak van klimplanten vormt een tweede huid met een beschermend luchtkussen: het hemelwater trekt niet in de muur maar wordt afgevoerd naar de bodem.

De in het boek opgenomen lijstjes van op ruïnes aangetroffen planten lijken sterk op een weemoedig gedicht: Bitterzoet, Muurleeuwebekje, Smeerwortel, Bijvoet, Klein glaskruid, Nachtsilene, Dwergmispel, Gewoon barbarakruid, Zwartsteel, Stijve naaldvaren.

Roerend is de zorg voor deze planten tijdens een zogeheten gefaseerde restauratie: bij de consolidatie van de middeleeuwse stadswal in Buren (Gelderland) werden ze voorzichtig verwijderd, elders gekoesterd en, na gedane arbeid, voorzien van licht verrijkte aarde weer teruggezet. Het opkalefateren van bouwvallen is een mooi voorbeeld van zelfrijzend sentiment. Door de voortschrijdende techniek zijn we tot veel in staat, desondanks gaan we vroeg of laat allemaal dood. Zo gezien is conserveren, tegen verval beschermen, herstel van verwaarlozing of hoe je het ook noemt, vermetel verzet tegen het onvermijdelijke. Monumentenzorg als doekje tegen het universele bloeden, levenswaardig en heroïsch maar tegelijk volstrekt idioot. Flaubert schreef al in 1853: 'Wat een dolzinnige idee om hetgeen in verval is geraakt te willen herstellen. Laat toch kreperen wat niet meer wil leven'. In een brief aan zijn minnares meldt hij dat de overweldiging van de natuur, als de helpende hand van de mens er niet meer is, hem met diepe blijdschap vervult: 'Wie weet zal ik ooit uitnemende mest zijn voor tulpen' (1846).

Het werk van ambtenaar/dichter Theodor Storm functioneert net als dat van Flaubert nog steeds als culturele maat: prominent figureert hij op de verplichte literatuurlijst van onze herenigde oosterburen. Storm trouwde de een terwijl hij verliefd was op de andere (de blondine). Tijdgenoot Thomas Mann determineerde hun huwelijk als 'idyllisch maar zonder hartstocht'. Na de dood van zijn eerste vrouw liet Storm in zijn Grote Biecht-brief de geadresseerden weten dat 'Bij mij voor deze uitgebloeide witte roos weer die hele dwaze jeugdige hartstocht is opgelaaid'. Harten en klompen kunnen breken en schepen vergaan, maar emoties blijven net als ruïnes minstens een mensenleven bestaan.

    • Peter Yvon de Vries