Veerdiensten redden het nauwelijks zonder steun

Na tientallen jaren van teruggang neemt het aantal veerdiensten weer toe. Telde Nederland in 1982 nog 117 ponten, nu zijn er 150 in bedrijf. De groei zit echter uitsluitend in de voetveren voor wandelaars en fietsers. De autoveren daarentegen klagen steen en been.

ELST, 9 JUNI. Op een uitloper van de Utrechtse heuvelrug, op de hoge noordelijke oever van de NederRijn, ligt het plaatsje Elst. Wie wil oversteken naar Ingen in de provincie Gelderland, verlaat hier de Rijksstraatweg. Een smal weggetje loopt driehonderd meter naar beneden, de uiterwaarden in, naar de pont. Links aan de horizon is de beboste heuvelrug van de Grebbeberg te zien.

In de avondspits staan op beide oevers van de rivier voortdurend lange rijen auto's te wachten. Het lokale verkeer is afhankelijk van de veerpont. De enige brug in de wijde omtrek ligt bij Rhenen, negen kilometer verderop. Daar staat het verkeer vaak vast. Dennis Wiegers rijdt iedere dag van Maurik (Gelderland) naar Veenendaal, een afstand van zo'n acht kilometer. “Als ik 's ochtends tijdens de spits over de brug rijd, kom ik bijna altijd te laat.”

Aan de overkant van de rivier staat het rustieke veerhuis dat nog steeds wordt bewoond door de uitbater van de veerdienst. In 1912 nam Gerard Henderik Spies hier zijn intrek. In januari van dit jaar nam zijn achterkleinzoon Gerard Hendrik de pont over. De vraag is echter voor hoe lang. Volgens Spies junior is het veerbedrijf in zijn huidige vorm niet meer rendabel. Spies vindt dat er drastisch moet worden bezuinigd op de loonkosten, wil het bedrijf weer levensvatbaar worden. De pont dateert van 1926 en is aan een grondige revisie toe. Het benodigde kapitaal hiervoor moet Spies lenen bij de bank, maar die is alleen bereid geld in de onderneming te steken als er drastische maatregelen worden genomen, aldus de eigenaar. “Je kunt je nog zo verbonden voelen met je bedrijf, je moet wel verantwoord bezig zijn. De grens is nu bereikt.”

In mei ontvingen de vijf veerlieden van het bedrijf een brief. Hierin kregen zij kortweg te horen dat degenen die 33,5 uur in ploegendienst werken, voortaan een werkweek van veertig uur zouden moeten draaien. Bovendien wil Spies flink korten op het salaris. De vijf personeelsleden reageerden woedend en stapten naar de vakbond. Deze liet weten binnen twee weken onderhandelingen te willen openen met de veerbaas. Mocht Spies hier niet toe bereid zijn, dan zal het veer worden stilgelegd.

Jaap van Zeben, medewerker van FNV-Bondgenoten: “Meneer Spies heeft nog geen enkel inzicht gegeven in de precieze financiële situatie van zijn bedrijf. We weten dus helemaal niet hoe slecht het gaat.” Van Zeben behartigt de belangen van de werknemers van alle zoetwaterveren in Nederland. “De Vereniging van Eigenaren en Exploitanten van Overzetveren in Nederland, de VEEON, roept al jaren dat de veerdiensten onvoldoende worden gesubsidieerd. Daar kan ik me iets bij voorstellen. Maar er zijn heel wat particuliere veren die het kunnen stellen zonder ondersteuning. Wat meneer Spies betreft, hij zou aanspraak kunnen maken op het Gelders Verenfonds, maar dat doet hij niet.” Zo'n vijftig van de 72 autoveren in Nederland worden door particulieren beheerd. Op grond van de Wet Uitkering Wegen (WUW) konden deze veerdiensten voorheen een beroep doen op een subsidie van het rijk, dat de veerponten beschouwde als een verlengstuk van de rijkswegen. In 1992 werd echter besloten het beheer van de rijkswegen over te hevelen naar provincies en gemeenten. In de meeste gevallen vinden deze de veerponten belangrijk genoeg om ze financieel te ondersteunen.

In Gelderland werken provincie en gemeenten samen. Het Gelders

Verenfonds (officieel Stichting Veren Gelderland) beheert een kapitaal van acht miljoen gulden. Gemeenten die het exploitatietekort van een veerdienst voor hun rekening nemen krijgen een vergoeding van tachtig procent.

Volgens Spies biedt het verenfonds geen soelaas. “Het Gelders Verenfonds is een slap aftreksel van de oude rijksregeling. Het voorziet alleen in een tegemoetkoming in het exploitatietekort. Voor echte vernieuwingen is geen geld.” Bovendien voldoet het veer tussen Elst en Ingen niet aan de regels van het fonds. “Alle veren die subsidie van het fonds ontvangen moeten zich houden aan een minimumtarief van ƒ 2,50.,” aldus Spies. “Daarmee prijzen wij onszelf uit de markt.” C.H. Reniers, secretaris van de VEEON, onderschrijft het verhaal van Spies: “De oude Wet uitkeringen wegen vergoedde grote investeringen voor vijftig procent. Daar kon je nog eens een nieuwe veerboot van laten bouwen. Dat is nu niet meer mogelijk.” De VEEON, waarbij 67 van de 72 grote veerdiensten zijn aangesloten, pleit daarom al jaren voor de oprichting van een landelijk verenfonds. Drie weken geleden liet minister Jorritsma (Verkeer en Waterstaat) in de Tweede Kamer echter weten hier niets voor te voelen.

J. de Sonnaville, projectleider openbaar vervoer van het ministerie: “De minister erkent dat er een probleem is. Ze heeft daarom de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) een brief geschreven waarin ze gemeenten en provincies vraagt stil te staan bij de situatie van de veerdiensten. Maar de instelling van een landelijk verenfonds zou betekenen dat de decentralisatie wordt teruggedraaid. Daar wil de minister niet aan. De verantwoordelijkheid voor de veren ligt nu bij de lagere overheden.” De VEEON verwacht overigens niet dat er op korte termijn particuliere veren over de kop zullen gaan. Secretaris Reniers: “De meeste veerlui hebben zo hun trots. Die stoppen niet een-twee-drie. De meesten ontvangen net genoeg subsidie om de boel in de vaart te houden. Maar een vetpot is het niet.”

    • Steven Derix