Schilderijen met de geur van gras

Tentoonstelling: P.J.C. Gabriël: colorist van de Haagse School. Dordrechts Museum, Museumstraat 40 Dordrecht. T/m 30/8. Geopend: di. t/m zo, 11-17u

Op een muur in het Dordrechts Museum is in grote letters een citaat van P.J.C. Gabriël geschilderd. 'Ons land is veel gekleurder dan men wel zou geloven. Dikwijls zo sterk dat het palet tekort schiet.' Direct eronder hangt een schilderij dat de woorden van de kunstenaar treffend illustreert. De lucht boven een knalgroen weiland vormt een mozaïek van grijze, witte en blauwe kleuren. De wolken maken een gehaaste indruk; alsof ze nog voor het vallen van de avond ergens moeten zijn. Tussen de wolken door worden wat scheuten zonlicht over het landschap uitgestrooid. Een molen wordt getroffen door een straal namiddagzon en neemt een blozend roze kleur aan.

Paul J.C. Gabriël (1828-1903) heeft een leven lang het Hollandse landschap bestudeerd. Hij bracht veel tijd door in de weilanden en polders rond Abcoude, de bossen bij Oosterbeek en de veenderijen bij Kampen. Aan zijn schilderijen valt af te lezen dat hij al die landschappen door en door kende. Nauwkeurig verschaft hij de toeschouwer aanwijzingen over weersgesteldheid, windrichting, temperatuur en het tijdstip van de dag. Dat maakt het kijken naar zijn werk een bezigheid die ook aan andere zintuigen lijkt te appeleren.

Jagers bij een plas, een doek uit ca. 1868, oogt als een momentopname tussen twee regenbuien. De grote waterplassen op het land weerspiegelen een grijze lucht waarin zich een hoopvol streepje blauw heeft gemengd. Het schilderij 'voelt' vochtig aan en roept de geur van gras en natte aarde in herinnering. Andere landschappen nodigen uit tot het verzinnen van de bijbehorende geluiden: het gekwaak van kikkers, snaterende eenden in het kroos of de wind die door het riet ruist.

Gabriël blonk uit in het schilderen van de twee-eenheid water en lucht. Steeds weer spiegelde hij de - al dan niet bewolkte - hemel in sloten, plassen, meren en rivieren. Heldere, zonnige kleuren werden daarbij niet geschuwd. Dat onderscheidt hem enigszins van zijn tijdgenoten. Op de 'grijze conventionele school' van collega-landschapschilders had hij het niet zo begrepen. Hij betreurde het dat Jacob Maris, die in zijn vroege jaren nog zo 'gekleurd en frisch' had gewerkt, later een steeds grijzer palet verkoos.

Wat zijn onderwerpskeuze betreft, liep Gabriël wel in de pas met zijn Haagse school-collega's. Hij schilderde bij voorkeur weidse landschappen met wat koeien en soms - als figurant - een verdwaalde menselijke gestalte. Het schilderen van mensen en dieren ging hem niet makkelijk af. In zijn vroege werk liet hij dat dan ook liever over aan andere schilders, zoals Anton Mauve. Die vroege landschappen sluiten nog aan bij de zoet-romantische traditie. Een klein landschapje dat in 1855 bij Oosterbeek ontstond, is de voorbode van een lossere schildertrant.

Hoewel hij afkomstig was uit een artistiek milieu - zijn vader was beeldhouwer - duurde het lang voordat het schildertalent van Gabriël tot bloei kwam. Barend Cornelis Koekkoek, bij wie hij in het Duitse Kleef in de leer was, toonde zich teleurgesteld over de geringe vorderingen die hij in 'een groot jaar tijd' had gemaakt. Omgekeerd liet Gabriël zich negatief over Koekkoek uit. Over sommige andere collega's oordeelde hij al even bars. Zo noemde hij J.W. Bilders (bij wie hij in Oosterbeek vaak te gast was geweest) een 'komediant' die bovendien 'jalours' zou zijn. Dat Gabriël van een hele reeks bekende schilders les had gekregen, belette hem niet zichzelf 'autodidact' te noemen.

Zijn vriend W.B. Tholen beeldde hem in 1882 af terwijl hij onder een parasol zat te schilderen in een bootje bij een rietkraag. Dat schilderijtje hangt nu in het Dordrechts Museum tussen een mooie selectie uit Gabriëls geschilderde en getekende oeuvre. Vergeleken met de ongeïnspireerde manier waarop de Rotterdamse Kunsthal onlangs de Haagse school per strekkende meter aan de man bracht, is deze Gabriël-tentoonstelling (het eerste museale overzicht van zijn oeuvre) een schoolvoorbeeld van liefdevolle aandacht. Naast beroemde werken als Il vient de loin (Kröller Müller Museum), waarop een rookpluim aan de horizon de komst van een stoomtrein aankondigt, worden ook minder bekende werken getoond. Het prachtige Landschap met tolbrug bijvoorbeeld. Verrassend zijn ook enkele bloemstukken die zich moeiteloos met het werk van Henri Fantin Latour kunnen meten. Eén daarvan is afkomstig uit het Stedelijk Museum in Amsterdam. Dat schilderij zal (evenals vier andere bruiklenen van het Stedelijk) na afloop van deze tentoonstelling wellicht weer decennialang in het Amsterdamse depot verdwijnen.

    • Erik Spaans