Sani Abacha (1943 - 1998); De krachtpatser uit Kano

ROTTERDAM, 9 JUNI. “God zij dank, de schurk is dood.” Een oppositionele advocaat uit Lagos, Gani Fawehinmi, suggereerde gisteren spontaan het grafschrift voor generaal Sani Abacha, de sterke man van Nigeria. In Washington formuleerden officiële woordvoerders het, althans voor diplomatieke begrippen, nauwelijks subtieler. Mike McCurry, de woordvoerder van het Witte Huis, meldde dat de VS “kennis hadden genomen” van Abacha's plotselinge overlijden, en sprak de hoop uit dat met diens dood een einde is gekomen aan “een afschuwelijke periode” uit de Nigeriaanse geschiedenis.

De Britse minister van Buitenlandse Zaken, Robin Cook, zei namens het voorzitterschap van de Europese Unie: “Hopelijk baant de dood van generaal Abacha voor Nigeria de weg naar democratie.” De heren hadden niet duidelijker kunnen maken dat Abacha, de krachtpatser van Nigeria, in Westerse hoofdsteden niet alleen werd beschouwd als een sta-in-de-weg voor lotsverbetering van het Nigeriaanse volk, maar evengoed als een bron van verlegenheid voor henzelf, omdat ze nooit een vuist hebben gemaakt tegen dit ongewenste sujet.

Afrikaanse leiders wisten zich beter te beheersen. De secretaris-generaal van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE), Salim Ahmed Salim, zei dat “generaal Abacha een leegte nalaat” en beklemtoonde dat de “eenheid en stabiliteit van Nigeria in het belang is van heel Afrika”. VN-chef Kofi Annan, een Ghanees, prees “de bijdrage van Nigeria aan het herstel van de vrede in Liberia en de terugkeer naar de democratie in Sierra Leone”. De grand old man van Afrika, Nelson Mandela, deed er het zwijgen toe en verwees naar een communiqué van de staatshoofden van de OAE-lidstaten die nu vergaderen in het West-Afrikaanse Burkina Faso. Voor hen was Abacha vooral leider van een lidstaat.

Dat de Nigeriaanse oppositie in het verscheiden van Abacha vooral een kans ziet op een betere toekomst, is begrijpelijk. In die kring sprak men zijn naam, in Afrikaans-Engels, uit als 'A-butcher' (slager) en de Nigeriaanse schrijver-in-ballingschap Wole Soyinka karakteriseerde het bewind van de generaal ooit als “een dictatuur uit het stenen tijdperk”. Abacha regeerde Nigeria, met 104 miljoen mensen het volkrijkste land van Afrika, als een absoluut monarch en beschouwde zichzelf als een gezondene Gods, die zijn etnisch en religieus zeer verdeelde land moest behoeden voor chaos en desintegratie.

In die missie is hij maar beperkt geslaagd. De federale staat Nigeria is niet uiteengevallen, maar christenen - na de moslims de belangrijkste geloofsgemeenschap - en Yoruba uit het zuidwesten, met de Haussa uit het noorden en de Igbo uit het oosten één der grootste etnische groepen van Nigeria, werden onder Abacha's bewind stelselmatig gemarginaliseerd. Van uitbanning van de corruptie, die Abacha beloofde toen hij de macht overnam van zijn mentor en voorganger, generaal Babangida, is weinig terechtgekomen. De militaire en zakelijke kliek rond de generaal heeft zich schromelijk verrijkt met petrodollars. Nigeria, qua export het op zes na grootste olieland, kampt met brandstoftekorten en de raffinaderijen van het land liggen stil als gevolg van onderinvestering, verwaarlozing en diefstal.

Sani Abacha was al geruime tijd ziek - naar verluidt leed hij aan een ernstige leverkwaal als gevolg van uitbundig drankgebruik - en hij stierf gisterenmorgen waarschijnlijk aan een hartaanval. Hij werd overeenkomstig islamitisch gebruik nog dezelfde dag begraven in zijn geboortestad Kano, de grote moslimstad van het noorden, tevens de bakermat en machtsbasis van menig politieke en militaire potentaat. Abacha was de achtste van een reeks generaals die Nigeria sinds zijn onafhankelijkheid van Groot-Brittannië, in 1960, met korte tussenpozen van democratisch verkozen bestuur, hebben geregeerd. Hij nam in 1963 dienst in het leger en klom tijdens de burgeroorlog met het afgescheiden Biafra (1967-'70) op tot bataljonscommandant. Die oorlog, die ruim een miljoen mensenlevens kostte, heeft hem en zijn generatie officieren voor het leven getekend. Nationale eenheid en stabiliteit werden hun bijna obsessief beleden idealen. Sinds de militaire machthebber Ibrahim Babangida hem in 1985, na diens staatsgreep, aanstelde tot chef-staf van de landmacht, was hij de man achter de schermen en in november 1993 greep hij zelf de macht.

Abacha was even meedogenloos als geheimzinnig. Hij leefde de laatste jaren teruggetrokken in zijn presidentiële villa Aso Rock, in de nieuwe federale hoofdstad Abuja, en vertrouwde niemand. Dat kon ook moeilijk, want allen die hem ooit hun trouw hadden betoond, eindigden in de gevangenis of in de goot. En wie hem durfde trotseren, riskeerde de galg. Zijn tegenstanders - en dat zijn er velen - vatten Abacha's verdiensten samen met de lijst van zijn slachtoffers. Hij was de man die de in 1993 verkozen president en Yoruba-zakenman Moshood Abiola (en nog tientallen anderen) gevangen zette, die de schrijver Ken Saro-Wiwa en zijn Ogoni-vrienden uit de olierijke Nigerdelta liet ophangen, die zijn rivalen in de legertop op beschuldiging van coupplannen tot lange gevangenisstraffen of ter dood veroordeelde. De laatste was de Yoruba-generaal - en tot zijn val in december vorig jaar tweede man - Oladipo Diya.

Als Abacha gisteren niet was overleden, had hij ongetwijfeld zichzelf opgevolgd, maar dan als 'burgerpresident'. Dit ter bekroning van het proces dat hij in oktober 1995 'overgang naar de democratie' noemde.

Zijn voorlopige opvolger is, tot ontsteltenis van de oppositie, opnieuw een generaal.