Kwaliteitskaart legt scholen niet langs dezelfde meetlat

De kwaliteitskaart biedt ouders meer informatie over middelbare scholen. Critici vinden het een beperkte vergelijking.

DEN HAAG, 9 JUNI. Voor het eerst krijgen ouders vanaf september van overheidswege beperkte informatie over de middelbare scholen in hun regio. Met de regionale 'kwaliteitskaart', die staatssecretaris Netelenbos (Onderwijs) gisteren heeft gepresenteerd, kunnen zij scholen onderling vergelijken op grond van eindexamencijfers, het aantal zittenblijvers, de klassengrootte en het vakkenaanbod om zo tot een schoolkeuze te komen.

De vergelijking blijft omstreden, omdat de kwaliteitskaart de prestaties van alle 750 scholen niet langs een en dezelfde meetlat legt. De Onderwijsinspectie deelt elke school in een categorie in op grond van onder andere het aantal allochtone leerlingen, de buurt waarin de school staat en het aantal schooltypes (voorbereidend beroepsonderwijs tot en met gymnasium). Dat zijn “omstandigheden waarin een school zit, zonder dat ze daar veel aan kan doen”, zo lichtte hoofdinspecteur voortgezet onderwijs H. Meijerink de inrichting van de gids gisteren toe. Alleen zo kan de kwaliteitskaart de “toegevoegde waarde van een school” aangeven, voegde Netelenbos daaraan toe. Ze vindt het een grotere prestatie van een school wanneer leerlingen met een taalachterstand met succes VWO doorlopen dan kinderen met academisch opgeleide ouders. Alleen achterin de zestien gidsen kunnen ouders derhalve bekijken hoe een school 'scoort' vergeleken met het landelijk gemiddelde.

De onderwijsspecialist van de VVD, het Tweede Kamerlid C. Cornielje, staat “zeer kritisch” tegenover deze vergelijkingswijze, zo zegt hij desgevraagd, mede omdat de gids niet aangeeft waarom een school in één van de vijf categoriën is ingedeeld. Hij zal bij de behandeling in de Tweede Kamer van de nu gepresenteerde kwaliteitskaart pleiten voor een “eerlijke vergelijking van alle scholen, zodat ouders in grote steden weten hoe een school presteert vergeleken bij de sterkere scholen in het zuiden van Nederland”, aldus Cornielje. Ook de Utrechtse rector M. Sjamaar van het Niels Stensen College, die onlangs alle kranten haalde met zijn hartekreet over de etnische segregatie op zijn school, is fel gekant tegen de categorisering van scholen. Op zijn school is zeventig procent van de leerlingen van Marokkaanse afkomst. “Ik wil dat mijn school keihard wordt vergeleken met alle scholen, ook als we slechte cijfers zouden halen. Als je minder verwacht van allochtone leerlingen, dan ben je, vind ik, neerbuigend bezig. En als je toch de standaard verlaagt, waarom mogen allochtonen dan niet slagen met een vijf?”

Bedoeling is dat de kwaliteitskaart in de loop der jaren steeds vollediger wordt, aldus Netelenbos. Zo moet het ziekteverzuim van leraren erin worden geregistreerd evenals de lesuitval, waardoor brugklassers soms tijdens tussenuren op straat rondhangen. Ook zal de kaart in de toekomst per vestiging aangeven hoe die presteert vergeleken met voorgaande jaren, waardoor ouders kunnen bekijken of een school incidenteel of doorlopend slecht presteert.

Onder de critici zijn er ook die zich überhaupt verzetten tegen vergelijking van scholen op grond van cijfers. Volgens hen zeggen cijfers niets over het pedagogisch klimaat op een school of de ontwikkeling van bijvoorbeeld creativiteit bij leerlingen. Een school moet leerlingen afleveren met belangstelling voor de samenleving en “leerlingen die beseffen dat er meer is dan hun individuele belang”, zo zei rector J. Nagel van de Eindhovense Scholengemeenschap Augustinianum onlangs in deze krant. Daarnaast moeten kinderen op een geode school de kans krijgen om hoger te grijpen dan ze op het eerste gezicht kunnen, zei rector A. van Geels van het Scala College in Alphen aan de Rijn. Zulke kwaliteiten heeft staatssecretaris Netelenbos nog niet in cijfers weten te vangen.