Heppeners opera eindelijk opgevoerd

Morgen gaat in het Holland Festival de eerste opera van Robert Heppener, Een ziel van hout, in première. Het is een sprookjesopera met de oorlogverschrikkingen als decor. “We leren niet van het verleden, dat is het punt.”

Wie is van hout, opera in drie aktes van Robert Heppener door het Nieuw Ensemble en het Nederlands Kamerkoor o.l.v. Ed Spanjaard: 10 en 12/6, Westergasfabriek Amsterdam, 20.30 u. Radio-uitzending: 13/6. Tv-uitzending: 28/12.

AMSTERDAM, 9 JUNI. In opera regeert de stem. Ongeacht de rolverdeling is het de menselijke stem die de hoofdrol speelt. Het meest intrigerende aan Een ziel van hout, de opera van Robert Heppener die woensdag in het Holland Festival in première gaat, is daarom dat de hoofdpersoon pas gaandeweg zijn stem ontdekt. Toni stoot lange tijd niet veel meer uit dan talrijke variaties van Zzòvvzjwoe-á-lloe òzzwjoe-á a a a a. Totdat zijn ondefinieerbare klanken stamelend betekenis krijgen: “Ik beweeg! O, ik dans, ik dans. ò oe-à.' Maar dan is het wonder al geschied en stroomt er weer bloed door het lijf van de stomme en lamme Toni. Aan zijn groeiend vocale vermogen valt zijn fysieke ontwikkeling af te lezen. Langzaam leert Toni spreken, zitten, lopen en zelfs dansen.

Robert Heppener ontleende het thema van zijn eerste opera, waarvoor hij zelf het libretto schreef, aan de eerste verhalenbundel van Jakov Lind, Eine Seele aus Holz (1962). Het is oorlog; de joodse ouders van Toni worden gedeporteerd en wijzen de huisknecht Wohlbrecht hun appartement toe, in de hoop dat deze de invalide jongen zal verzorgen. De corrupte knecht brengt Toni echter naar het bos. Daar trapt een hert Toni's bed omver, waarna hij geneest en wordt opgenomen in de gemeenschap der dieren. Ondertussen is Wohlbrecht in een krankzinnigengesticht beland, waar hij met zijn verhaal over de jongen de interesse wekt van de directeur. Die wil ook best een jood achter de hand hebben - voor als het fout mocht gaan. Als de oorlog inderdaad verloren blijkt, vertrekt hij naar het bos en lokt Toni met een goed gevulde dis. Opgeschrikt rennen de dieren echter de mensen omver, waarna Toni weer terugzakt in zijn lethargie.

In dit sprookje rondom de groeiende stem van Toni vond de nu 72-jarige Heppener eindelijk een geschikt thema voor een opera. Heppener maakte na de oorlog snel naam als een componist met een bijzonder talent voor het vocale genre. Als een componist ook, die er niets voor voelde gebukt te gaan onder het juk van het serialisme, de reeksmatige compositietechniek die in Nederland de overhand zou krijgen. Dat gaf hem het stigma een componist te zijn van het tweede plan. Sinds de jaren tachtig echter wordt zijn werk steeds hoger aangeslagen.

Wie is van hout stond al jaren gepland voor opvoeringen in het Holland Festival, maar in verband met financiële problemen werd dit telkens uitgesteld. Nu wordt de productie eindelijk gerealiseerd, in nauwe samenwerking met NPS-televisie. Met gebruikmaking van virtual reality-technieken is een televisieversie van de opera uitgangspunt geworden voor de theaterversie. De buitengewoon complexe regie van Monique Wagemakers en Jellie Dekker maakte enkele veranderingen in de ideeën van Heppener noodzakelijk.

Een van de rollen die de zo belangrijke koorleden in het oorspronkelijke concept van Heppener te vervullen hadden was het zingend uitbeelden van de dieren. Virtuele dieren zouden het worden, en het koor werd tot buiten het gezichtsveld verbannen. Of neem het gebruikt van microfoons. Heppener vond het een gotspe dat zijn delicate vocalisaties moesten worden uitgeleverd aan elektronische versterking.

Maar Heppener heeft het in der minne geschikt met de regisseurs. Heppener: “Ik ben een natuur die er moeite mee heeft zaken uit handen te geven, al heb ik me daar gaandeweg van los kunnen maken. Ik heb ook een uitstekend voorbeeld gekregen van Jakov Lind zelf, die aanvankelijk wat teleurgesteld was door de veranderingen die ik in zijn verhaal heb aangebracht. Zoals de geslachtsverandering van doktor Wimper die bij mij een vrouw geworden is, omdat ik verlegen zat om een vrouwenstem. 'Jakov', zei ik, 'heb vertrouwen! Probeer het los te laten.' Toen ik later eens met hem telefoneerde en vertelde dat ik op mijn beurt moeite had met sommige aspecten van de regie, pareerde hij mij met de woorden: 'Ach, Bob, je moet het loslaten!' ”

De opera verschilt in details met het boek van Lind. Heppener: “Er zijn gebeurtenissen uit de oorlog die je wel kunt lezen, maar niet op toneel kunt laten zien. Dat ligt te gevoelig. Het moet niet zo zijn dat de mensen te bang zijn om te komen kijken, omdat zij mogelijk met de meest verschrikkelijke dingen uit hun eigen verleden worden geconfronteerd. Al ben ik het met Jakov Lind eens, die vindt dat het kampprobleem uiteindelijk geen jodenprobleem is, maar een probleem van de christenen. Zij hadden immers de keus! De afschuwelijke nazi-kampen zijn echter niet het onderwerp van de opera. Deze vormen hooguit het kader, het decor. Kern van de opera is het sprookje van de lamme jongen die plots als door een wonder weer zijn ledematen kan gebruiken.

“Wohlbrecht is in de opera denk ik sympathieker dan in het boek. Hij heeft Toni achtergelaten in het bos, maar tegelijkertijd houdt hij toch van die jongen en krijgt hij bij thuiskomst onmiddellijk schuldgevoelens. 'Hij is weg! Ach, wat moest dat scharminkel toch ook? Dat had hier toch geen leven?' Op die manier probeert Wohlbrecht zijn schuldgevoel goed te praten. Ik veroordeel de handelwijze van Wohlbrecht wel degelijk, maar laten we niet vergeten dat in spannende tijden het slechte in de mens bovenkomt. Ik sta niet in voor mezelf, mocht ik in een vergelijkbare situatie terechtkomen.

“We leren niet van het verleden, dat is het punt. Het had anders toch allang een stukje beter moeten gaan met de wereld? Na de oorlog moesten we de weerzinwekkende beelden zien van de kampen: opdat we dit nooit zouden vergeten! Maar twee jaar later gingen we zelf al weer te keer in Indië.”

    • Emile Wennekes