Europarlement heeft niet veel tijd meer

Op de uitgaven en vergoedingen van de leden van het Europese parlement blijkt nog heel wat aan te merken. Gijs de Vries vindt dat het parlement haast moet maken met hervormingen. Anders loopt de legitimiteit van het parlement gevaar.

Uit een recent ontwerpverslag van de Europese Rekenkamer blijkt opnieuw dat op het vlak van uitgaven en vergoedingen in het Europees Parlement nog veel moet worden rechtgezet. Het verslag maakt duidelijk dat een aantal administratieve regels te ruim is en dat op de naleving ervan onvoldoende wordt toegezien. Het Europees Parlement zal op korte termijn de nodige correcties moeten doorvoeren. Zouden maatregelen uitblijven, dan zal in de campagne voor de Europese verkiezingen geen ruimte zijn voor enig ander thema. De legitimiteit van de Europese instellingen dreigt zo aanzienlijke schade op te lopen.

Van de noodzaak de interne regels aan te scherpen zijn veel leden van het Europees Parlement overtuigd. Daarom is de afgelopen jaren ook een reeks hervormingen doorgevoerd. Zo zijn de eisen verscherpt inzake de registratie van nevenactiviteiten van de leden. Deze plicht tot openbaarmaking geldt tevens de neveninkomsten van parlementaire assistenten. Ook voor steun die parlementaire werkgroepen soms ontvangen van organisaties als de Europese consumentenbond is een openbare registratieplicht ingevoerd. Bovendien is een registratieplicht voor lobbyisten van kracht geworden. Op elk van deze punten gaat het Europees Parlement intussen verder dan de meeste nationale parlementen, inclusief het Nederlandse.

Ook wat de reiskosten betreft heeft het EP strengere regels ingevoerd. Voor elke trein- of vliegreis dient in Brussel een bewijsstuk te worden overlegd. Controle op autoreizen wordt door het EP uitgevoerd via opname van de kilometerstand. Tevens zijn de regels inzake de daggeldvergoeding verscherpt. In een amendement-Dankert besloot het Parlement bovendien de pensioenregeling te wijzigen.

Deze hervormingen gaan velen in het Parlement nog niet ver genoeg. Op een viertal punten zijn nieuwe initiatieven in voorbereiding. Onder leiding van de ex-voorzitter van de socialistische fractie, Jean Pierre Cot, wordt gewerkt aan voorstellen inzake de rechtspositie van parlementaire assistenten. Zowel de rechten als de plichten van assistenten dienen beter te worden gedefinieerd. In elk geval dient het parlement, zoals de Rekenkamer bepleit, de controle op de personeelscontracten aanzienlijk te verbeteren. De gedachte dat deze medewerkers een ambtelijke status zouden moeten krijgen, zoals de Europese Commissie voorstelt en de Europese Rekenkamer billijkt, spreekt mij persoonlijk echter minder aan.

De verplichting tot registratie van nevenactiviteiten wordt in het algemeen goed nageleefd. Toch respecteren nog niet alle 626 leden deze regel. Daarom heeft de Reglementencommissie van het parlement intussen voorgesteld sancties in te voeren, zoals onverkiesbaarheid voor parlementaire functies. Ook de regels inzake parlementaire werkgroepen en lobbyisten worden dezer dagen geëvalueerd.

Dat de reiskostenvergoeding die het Europees Parlement toekent fors hoger is dan de feitelijk gemaakte kosten is velen al lang een doorn in het oog. Er zijn diverse pogingen geweest om dit systeem te veranderen, maar tot nu toe zonder resultaat. De laatste keer dat het voltallige parlement zich over de reiskosten uitsprak, in september 1997, kreeg het voorstel alleen feitelijk gemaakte kosten te vergoeden uitsluitend de steun van de liberale en groene fracties. Op dit punt is het rapport van de Rekenkamer voor de hervormingsgezinden in het EP thans een belangrijke steun in de rug. Ik verwacht dat parlementsvoorzitter Gil Robles het ijzer zal willen smeden nu het heet is en het presidium de nodige voorstellen zal doen om de parlementsbegroting aan te passen.

De vierde noodzakelijke hervorming is tegelijk de moeilijkste. Het is hoog tijd dat leden van het Europees Parlement voor gelijk werk ook gelijk loon ontvangen. Geen mens zou het accepteren dat een Tweede-Kamerlid uit Amsterdam het dubbele salaris zou ontvangen van een Kamerlid uit Appelscha. Maar in het Europees Parlement verdient een Iers lid de helft en een Spaans lid niet meer dan een derde van het salaris van een Italiaans lid. Dat is niet alleen principieel verwerpelijk, het leidt er ook toe dat parlementariërs hun vergoeding langs andere weg trachten op te krikken.

Een uniform salaris zou kunnen worden vastgesteld op het gemiddelde van de parlementaire salarissen in de EU-lidstaten (wat ruwweg neerkomt op het Nederlandse niveau). Maar zo'n uniforme regeling komt er niet vanzelf. Daar is een besluit voor nodig van de Raad van Ministers. Die maakt echter weinig aanstalten. Het Britse voorzitterschap liet weten dat initiatieven terzake de populariteit van Tony Blair wel eens zouden kunnen schaden. En een tweetal Oostenrijkse ministers gaf alvast te kennen dat ook het aanstaande Oostenrijks voorzitterschap deze beker liever aan zich voorbij laat gaan.

Het is hoog tijd dat aan deze anachronistische toestand een einde komt. Druk uit nationale parlementsleden zou zeer nuttig kunnen blijken. Het Europees Parlement werkt aan een eigen voorstel. Intussen blijft de beste bijdrage die het EP kan leveren de herziening van de interne vergoedingsregelingen. Naarmate het Parlement zich meer hervormingsbereid toont, staat het sterker ten opzichte van de Raad.

De hervormingen dienen zich ook uit te strekken tot het bouwbeleid van het Europees Parlement. Op dit vlak heeft het EP te vaak met de Franse slag gewerkt - politiek zowel als ambtelijk. Mijn pleidooi voor een onafhankelijk onderzoek naar beleid en praktijk terzake houd ik staande. Het parlement dient daartoe zelf het initiatief te nemen, en niet te wachten op bijvoorbeeld een nieuw verslag van de Rekenkamer.

Deze verdere aanpassingen zijn hoognodig. Ten eerste natuurlijk uit een oogpunt van correct handelen. Maar ook omdat de negatieve publiciteit over de vergoedingen de berichtgeving wegdrukt over de belangrijke successen die het Europees Parlement in toenemende mate boekt bij wetgeving en controle. Met zijn parlementaire enquêtes naar de gekkekoeienziekte BSE en de sigarettensmokkel in Europa heeft het EP baanbrekend werk verricht. Met zijn wetgevende bevoegdheden heeft het EP onder andere afgedwongen dat het verkeer in Europa veiliger en milieuvriendelijker wordt en dat voedsel aan hogere gezondheidseisen moet voldoen. In de strijd tegen racisme binnen Europa en schendingen van de rechten van de mens elders in de wereld is het Europees Parlement toonaangevend. De parlementaire controle op de Europese Commissie is veel effectiever gemaakt.

De media besteden - terecht - veel aandacht aan de interne organisatie van het Europees Parlement. Veel gaat nog niet goed in dit parlement. Maar veel is al wel verbeterd. Veel nieuwe hervormingen staan in de steigers. Veel tijd heeft het Europees Parlement echter niet meer. Haast is geboden. Het presidium van het EP (negen socialisten, zes christen-democraten, twee gaullisten, twee communisten, een liberaal) dient nog voor de zomer de nodige besluiten te nemen. De beide grootste fracties, die ook in de plenaire vergadering over een ruime meerderheid beschikken, komt daarbij een bijzondere verantwoordelijkheid toe. Niets minder dan de geloofwaardigheid van het Europees Parlement als democratisch controle-orgaan staat op het spel.

Het parlement dient schoon schip te maken.