Cultuurminister (2)

Ik heb het lovende stuk van Paul Steenhuis 'Minister van Cultuur een goede zaak' nog niet uit of de benauwdheid slaat al toe. Met het idee voor een minister van Cultuur ben ik het roerend eens, maar er worden verkeerde redenen voor aangedragen.

Het uitdragen van onze Nederlandse waarden van liberalisme, tolerantie en redelijk overleg in Europees verband zou eerder in een ministerie van Prediken thuishoren, en zou ongetwijfeld de genadeslag betekenen voor de toch al niet zo jofele reputatie van de Nederlandse kunstwereld bij onze Europese partners.

In Europa zit niemand op onze Nederlandse waarden te wachten. In deze krant van 8 april is dit nog eens treffend beschreven door Derk Jan Eppink 'Belgische les voor Nederland' naar aanleiding van de Duisenberg-kwestie. Daarin wist de schrijver de vinger te leggen op de blinde vlek in het Nederlandse nationale zelfbeeld: onze trots op onze principiële stellingnames en openheid, die van buitenaf vooral worden gezien als bemoeizucht en naïviteit. We kunnen het prediken niet laten, en voor we het weten luistert helemaal niemand meer naar ons.

Een minister van Cultuur zou binnen het regeringsbeleid het gewicht van de culturele sector kunnen vergroten. Maar als kunstenaars als pronkstukken gaan dienen van een Nederlands cultuurbeleid in Europa, dan haak ik af. De Nederlandse overlegcultuur heeft in mijn ogen eerder gezorgd voor een naar binnen gericht wereldbeeld en een kunstwereld die enigszins tekortschiet in visie en urgentie. Het is de groeiende groep kunstenaars die zelf hebben besloten zich te 'internationaliseren', die zich hier met succes aan hebben weten te onttrekken. Zelfvoldaanheid is het laatste dat de Nederlandse kunstwereld nodig heeft.

    • Lennaart V. Oldenborgh