Alleen geweld kan de Serviërs stoppen...

Het is hoog tijd voor gewapende actie tegen de Servische agressie in Kosovo. Gelijn Molier vindt dat het internationaal recht het gebruik van geweld rechtvaardigt. Frederick Bonnart daarentegen waarschuwt voor de gevolgen.

De recente gewelddadigheden van het Servische leger tegen de Albanezen in de provincie Kosovo, die deel uitmaakt van de Federale Republiek Joegoslavië, maken duidelijk dat het 'probleem-Kosovo' niet aan de onderhandelingstafel kan worden opgelost. De Servische president Miloševic beschouwt de crisis in Kosovo als een interne aangelegenheid en wijst iedere bemoeienis van de internationale gemeenschap met het conflict af. Hoewel de internationale gemeenschap sancties tegen het regime van Miloševic heeft afgekondigd na het brute optreden van de Servische politie in en rond het dorp Drenica, heeft zij haar kaarten toch gezet op een diplomatieke oplossing van het conflict.

Dit standpunt is gezien de recente uitbarstingen van geweld door het Servische leger tegen de Albanezen in Kosovo niet alleen ongeloofwaardig maar ook onhoudbaar geworden. Onder het mom van bestrijding van Albanees terrorisme worden etnische zuiveringen uitgevoerd: dorpen worden met de grond gelijk gemaakt zodat terugkeer van de bewoners onmogelijk wordt; degenen die weigeren te vluchten worden afgemaakt. Het Kosovo Bevrijdingsleger (UÇK) speelt Miloševic in de kaart, aangezien deze guerrillabeweging hem een rechtvaardiging verschaft om zwaar geschut in te zetten. Hoewel het regime in Belgrado sinds 1989 structureel de meest elementaire rechten van de Albanezen schendt, maken de huidige acties duidelijk waar het de Serviërs om te doen is: verdrijving van de Albanezen uit Kosovo op straffe van genocide.

Ik ben van mening dat het conflict over Kosovo dermate is geëscaleerd dat een militaire humanitaire interventie door de internationale gemeenschap noodzakelijk is. Vanuit moreel oogpunt maar ook op politieke gronden, aangezien West-Europa zich een tweede Bosnië niet kan permitteren. Daarbij komt dat de internationale gemeenschap ter rechtvaardiging van een militair optreden een beroep kan doen op het internationaal recht.

Het argument dat tot nog toe door (een deel van) de internationale gemeenschap werd gehanteerd om geen verdergaande maatregelen tegen de Serviërs te nemen was dat de crisis in Kosovo als een intern conflict kon worden beschouwd, aangezien Kosovo deel uitmaakt van de Federale Republiek Joegoslavië. Dit is een volkenrechtelijk argument. Het is een fundamenteel uitgangspunt van het international recht dat staten zich niet inlaten met elkaars binnenlandse aangelegenheden. Ook voor de Verenigde Naties (VN) geldt dit zogenaamde non-interventie beginsel. Het Handvest van de VN kent echter één uitzondering op dat interventieverbod. Wanneer de Veiligheidsraad van de VN een bepaalde situatie als een bedreiging van de internationale vrede aanmerkt en overgaat tot het nemen van niet-militaire of militaire dwangmaatregelen dan is het non-interventiebeginsel niet van toepassing.

Mijn stelling is dat de crisis in Kosovo niet langer als een binnenlandse aangelegenheid kan worden aangemerkt en dat de internationale gemeenschap gerechtigd is geweld te gebruiken tegen de Serviërs.

Hiervoor kunnen de volgende volkenrechtelijke argumenten worden aangedragen. Het eerste is dat de crisis in Kosovo op dit moment niet alleen een bedreiging vormt voor de vrede binnen de Federale Republiek Joegoslavië, maar ook een bedreiging is voor de vrede in de regio. Allereerst zijn er als gevolg van de recente moordpartijen en bombardementen op vijf dorpen aan de Albanese grens vluchtelingenstromen naar met name Albanië op gang gekomen. Deze vluchtelingenstromen vormen een bedreiging voor de stabiliteit in de regio. Daarnaast heeft Albanië, dat zich tot nu toe afzijdig had gehouden van het conflict, te kennen gegeven dat het etnische zuiveringen en genocide op zijn Albanese broeders niet zal tolereren en bereid is om Albanezen in Kosovo gewapenderhand te ondersteunen in de strijd tegen de Servische onderdrukker. Hierbij komt nog dat Macedonië eveneens een Albanese minderheid heeft, zodat een volgende Balkanoorlog tot de reële mogelijkheden behoort. Kortom, niets staat de Veiligheidsraad van de VN meer in de weg om de situatie als een bedreiging van de internationale vrede aan te merken, zodat het conflict niet langer als een interne aangelegenheid beschouwd kan worden en het toepassen van militaire maatregelen juridisch gezien mogelijk is.

Het betreft hier geenszins een theoretische mogelijkheid, aangezien de Veiligheidsraad sinds het einde van de Koude Oorlog verscheidene malen bereid is geweest een op zichzelf binnenstatelijk conflict als een bedreiging van de internationale vrede aan te merken, zelfs in situaties die een veel minder ernstige bedreiging vormden voor de internationale vrede en veiligheid dan nu het geval is. In dit verband kunnen genoemd worden de militaire interventie onder mandaat van de Veiligheidsraad in Somalië en de VN-interventie in Haïti. De Veiligheidsraad dient dus een resolutie aan te nemen waarin hij de situatie in Kosovo als een bedreiging van de vrede aanmerkt en lidstaten of intergouvernementele organisaties machtigt tot het gebruik van geweld, teneinde de etnische zuiveringen te doen stoppen. Vergelijkbaar met de resoluties die indertijd naar aanleiding van de oorlog in Bosnië zijn aangenomen.

De tweede mogelijkheid die het internationaal recht staten en internationale organisaties biedt om op te treden tegen de Federale Republiek Joegoslavië is te vinden in het Verdrag inzake de Voorkoming en Bestraffing van het Misdrijf van Genocide. Wanneer er sprake is van genocide in de zin van het verdrag is het non-interventiebeginsel evenmin van toepassing. Artikel VIII van dit Verdrag stelt dat een verdragsstaat zich in geval van genocide tot de Verenigde Naties kan wenden om die maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om het plegen van genocide te voorkomen dan wel te doen stoppen. Er is sprake van genocide in de zin van dit verdrag wanneer bepaalde handelingen gepleegd worden met als doel een nationale, etnische, raciale of religieuze groep doelbewust geheel dan wel gedeeltelijk te vernietigen (Art. III). Behalve het doden van leden van die groep kunnen hiertoe onder andere gerekend worden: het veroorzaken van ernstige lichamelijke en geestelijke verminkingen en het opzettelijk veroorzaken van levensomstandigheden die de fysieke vernietiging van de groep tot doel hebben. De wijze waarop de Servische oproerpolitie en het leger de afgelopen dagen tekeer zijn gegaan wijst op een doelbewuste politiek van uitroeiing van een bepaalde etnische groep. Immers, door de tactiek van de verschroeide aarde toe te passen maken de Serviërs duidelijk dat het hun niet te doen is om het aanpakken van terroristen maar om het creëren van omstandigheden die de fysieke vernietiging van de Albanezen tot doel hebben. Het verbod van genocide heeft zich binnen het internationaal recht ontwikkeld tot een norm van ius cogens (dwingend recht), wat betekent dat ongeacht of een staat partij is bij het 'genocideverdrag' het onder alle omstandigheden verboden is een inbreuk op het verbod van genocide te maken. Wanneer een staat zich toch schuldig maakt aan genocide hebben andere staten het recht en de verplichting hier een einde aan te maken.

De derde volkenrechtelijke rechtvaardiging voor het gebruik van geweld tegen de Serviërs is gelegen in de grove en systematische schending van fundamentele mensenrechten van de Kosovaren door de Serviërs. De ontwikkeling van mensenrechten binnen het internationaal recht heeft ertoe geleid dat een staat die de meest fundamentele rechten van zijn eigen onderdanen schendt de bemoeienis van de statengemeenschap niet kan afweren door te stellen dat de wijze waarop hij zijn onderdanen behandelt een interne aangelegenheid is. Aangezien het recht op leven een van de meest fundamentele mensenrechten is, kan gesteld worden dat de internationale gemeenschap bevoegd is maatregelen te nemen tegen een staat die het recht op leven van zijn eigen onderdanen schendt. Afgezien van de vraag of er wel of niet sprake is van genocide of etnische zuiveringen in Kosovo, is het een voldongen feit dat het recht op leven van de Kosovaren op grove en systematische wijze geschonden wordt, zodat de internationale gemeenschap reeds op die grond bevoegd is geweld tegen de Serviërs te gebruiken.

Als de ervaringen in Bosnië één ding duidelijk hebben gemaakt dan is het dat onderhandelingen met de Serviërs zinloos zijn en dat slechts het gebruik van geweld in staat is om de Serviërs te doen stoppen met hun etnische zuiveringen. Een halfslachtige maatregel als het zenden van een NAVO-troepenmacht naar Albanië om de vluchtelingen op te vangen, zoals minister Van Mierlo voorstelde, vormt derhalve geen oplossing, maar zet een premie op het gebruik van geweld door de Serviërs en dus op de etnische zuiveringen.

Een eerste (en technisch gezien geen moeilijke) stap is dat de NAVO zware luchtbombardementen uitvoert op de Servische stellingen in Kosovo en wanneer dit onvoldoende is de militaire infrastructuur van Servië vernietigt, want zonder zijn leger is Miloševic machteloos. Het is te hopen dat de NAVO-landen die deze week bijeenkomen zullen besluiten om over te gaan tot daadwerkelijke militaire actie tegen de Serviërs.