Voor elk levend mens 69 zonnen

NWT, jrg. 15 nr.1. Uitg. Atlas. Losse nummers ƒ 11,50, abb. ƒ 11,50.

Het Nieuw Wereld Tijdschrift is er nog. Na het overlijden van hoofdredacteur Herman de Coninck, vorig jaar, leek het erop of ook het tijdschrift zou verdwijnen. Maar abonnees en kopers van de Vlaamse krant De Morgen vonden het vorige week bij hun krant en ook Nederlandse lezers hoeven het niet te missen, uitgeverij Atlas zorgt hier voor de aanwezigheid van het blad. Het is ook een echt Atlas-tijdschrift: literatuur royaal vermengd met non-fictie, opinie en essayistiek. Het nieuwe NWT, zoals het nu op het omslag heet, ziet er meer uit als een krantenbijlage, een beetje als de Engelse kleurenmagazines, dan vroeger, toen het blad iets chics had. Dat is, behalve voor de poëzie die nu in een erg klein lettertje maar wat lukraak op de bladzijden lijkt te staan, niet vervelend.

In dit nieuwe nummer staan twee opmerkelijke stukken - en nog een heleboel die de moeite waard zijn. Het ene heet 'De tijd gestrand', geschreven door Annie Dillard. Wat ze doet is iets heel eenvoudigs. Ze geeft getallen. Bijvoorbeeld dat een redelijke schatting van het aantal ooit geleefd hebbende mensen 85 miljard is. Nu leven er 5,8 miljard mensen. De doden hebben een overwicht van ongeveer 14 op 1. Zo gaat ze door. Ze haalt op dat er 30 april 1991 in Bangladesh 138.000 mensen verdronken. Ze vraagt zich af wie de mensen waren die door Stalin omgebracht zijn, of die door seriemoordenaar Ted Bundy vermoord werden, die, toen hij gepakt werd, niet begreep waarom men zich zo druk maakte: “Maar er zijn zoveel mensen!” zou hij gezegd hebben. Die uitspraak wordt in dit stuk geïllustreerd. Uitvoerig.

“Waarom vinden we het zo verschrikkelijk belangrijk wie, op een willekeurig moment van een willekeurige eeuw op deze aarde, boven staat?” Van de mensen gaat Dillard even naar de sterren. “Op ieder van ons zijn er negen sterrenstelsels. Elk sterrenstelsel bevat gemiddeld 100 miljard zonnen. Ons stelsel, dat van de Melkweg, telt 69 zonnen voor elk levend mens.” Het is poëzie bijna, deze getallen, want ze trekken alles wat rechtstond scheef. Zulke enorme getallen relativeren, en Dillard relativeert ons in dit stuk helemaal van de aardbol af. “Wij zien generaties golven oprijzen uit de zee die ze voortbracht, miljarden individuen tegelijk; we zien ze krimpen en verdwijnen. Als dit u niet schokt, wat dan wel? Wat wekt dan nog uw deernis?” Omdat het poëzie is, eigenlijk, is dit stuk ook niet na te vertellen. Het kan alleen maar ondergaan worden. Maar dan ondergaat men ook wel wat. Meer dan menigeen lief zal zijn.

Het andere opmerkelijke en opmerkelijk eerlijke stuk is van Charles Ducal, die wetende wat wij allemaal weten, toch het communisme verdedigt. Hij begint met uiteen te zetten dat wij allemaal door een ideologische bril kijken. Vrijheid en democratie vinden wij het belangrijkste dat er is, de burgerrechten, daar gaat het ons vooral om. “De grootste media-aandacht gaat derhalve niet naar een Nicaragua dat zienderogen verpaupert, maar naar een Nicaragua dat de krant La Prensa verbiedt.” Ducal is weinig ingenomen met het Westerse kapitalisme, met het Westerse 'imperialisme' durft hij het wel te noemen, al hoort men dat woord niet meer te gebruiken. “Hoe noem je een politiek van economische drooglegging die 600.000 Iraakse kinderen de dood injaagt? Volkerenmoord? Neen: sancties.” Ducal stelt een andere maatstaf voor om de wereld mee te beoordelen: “Mijn belangrijkste politieke maatstaf is niet het respect voor de burgerlijke vrijheden, maar de mate waarin staten of regeringen hun bevolking behoeden voor honger, ziekte, armoede en analfabetisme.”

Maar vindt Ducal burgerlijke vrijheden dan niet belangrijk? Jawel. Hij voelt ook zelf wel dat daar iets wringt, want waar hij aan de ene kant het socialisme als enig behoorlijke alternatief voor het niets ontziende kapitalisme naar voren schuift, ziet hij aan de andere kant dat socialisme altijd gepaard moet gaan met een zekere dwang, en dus met het verbieden van vrijheden waar hij net zo op gesteld is als ieder ander.

Ducal is ook dichter. “'Besef jij wel dat je onder Stalin of Mao dit soort poëzie nooit zou kunnen publiceren?' Het is een dooddoener, maar hij volstaat om mij meteen van kamp te doen wisselen. Uit welbegrepen eigenbelang.”

    • Marjoleine de Vos