Met jachtgeweren tegen Servische tanks

Een déjà vu uit de Bosnische oorlog: in het westen van Kosovo omsingelen Serviërs Albanese dorpen, bombarderen ze, doden of verjagen de inwoners en branden het dorp plat, met moskee en al.

VRANOC, 8 JUNI. Dit gebeurde er vrijdag met Vranoc: om vijf uur in de ochtend reed een Servische tank de heuvel op, waar het Albanees dorpje als een hoefijzer omheen gebogen ligt. Een eenheid van ongeveer 100 man speciale politie volgde. De inwoners van Vranoc vluchtten in ser 490paniek het bos in. Voor sommigen was het te laat. In de loop van de ochtend mikte de tank bedaard granaten door de daken van de boerderijen. Eén of twee per huis. De moskee werd onder vuur genomen, de minaret weggeschoten, de lagere school beschadigd. Scherpschutters doodden zes koeien en enkele paarden. Rond twaalf uur ratelde de tank de heuvel af, het verlaten dorpje in. De mannen bliezen de rest van de moskee op, want Serviërs hechten aan tradities. Twee woonhuizen gingen in vlammen op.

De volgende dag marcheerden de troepen terug naar hun kazerne, op twee kilometer afstand van Vranoc. Enkele Albanezen durfden die nacht voor het eerst het bos te verlaten om te kijken wat er van hun dorp over was. Ze vonden de lijken van vier dorpsgenoten en 24 uitgebrande of beschadigde boerderijen. Ze begroeven hun doden, verwijderden het dode vee.

“Het is zo gemeen”, huilt Leonora Krasniqi (20). “We lagen te slapen toen ze aanvielen. Nu is mijn oom dood. Ze vermoorden ons, verjagen ons. Serviërs zijn geen mensen.” De heuvel in het midden van Vranoc vertoont de littekens van een dag terreur. Ondiepe putjes voor scherpschutters. Lege blikjes bier en tonijn. Een aarden bunker met een licht stuk veldgeschut, dat niemand durft te inspecteren omdat het misschien van een booby trap is voorzien. Tanksporen, de kuil die de tank maakte terwijl hij ronddraaide om Vranoc onder vuur te nemen. Op de weggetjes rond Vranoc wemelt het van gewapende Albanese mannen, soms voorzien van het embleem van het Kosovo Bevrijdingsleger, UÇK. Wat zij met hun jachtgeweren, kalasjnikovs en lichte mitrailleurs tegen tankaanvallen moeten uitrichten is onduidelijk.

“We verdedigen ons met bijlen als dat nodig is”, zegt 'Ben', een man in camouflagepak die we ontmoeten bij een van de vele wegversperringen. Shefqet Krasniqi, een dorpeling uit Vranoc, heeft er een hard hoofd in. Als de Serviërs met hun tanks terugkomen, zit er weinig anders op dan opnieuw het bos in te rennen, denkt hij. Vranoc is een dorpje met 120 Albanese families die bijna allemaal Krasniqi heten. Het dorp ligt in westelijk Kosovo tussen glooiende heuvels met korenvelden waarover in juni een rood-blauw waas van korenbloemen en klaprozen ligt.

In deze tijd van het jaar trekken de dorpelingen met zeisen de weilanden in om te hooien. De kinderen zwemmen in een beekje vol witte kiezelstenen dat door het bos kronkelt of hoeden de koeien uit het veld. Het dorp is welvarend. De ommuurde huizen hebben satellietschotels, elektriciteit, warm water.

Pagina 5: 'Alles kaputt. Mein Haus, mein Haus'

De Krasniqi-clan van Vranoc woont drie kilometer ten oosten van de stad Decani, en dit gebied is nu oorlogszone. Ten westen van Decani joegen het Servische leger en de politie vorige week duizenden dorpelingen op de vlucht naar Albanië en Montenegro. In de dorpjes ten oosten van de stad lijkt in grote lijnen de Vranoc-methode te zijn gevolgd: kortstondige terreur. Misschien een Servische waarschuwing, misschien een voorbode van zwaardere acties.

Het Decani-gebied, inclusief de steden Djakovica en Pec, is verboden gebied voor journalisten en hulpverleners. UItgeputte vluchtelingen, kanongebulder en rookpluimen in de verte - meer informatie was niet voorhanden. Wij besloten te proberen Pec per trein te bereiken. Serviërs durven deze trein door het opstandige Drenica-gebied niet langer te nemen, en niet zonder reden. UÇK'ers met zwarte uniformen en spiegelende zonnebrillen marcheren stoer langs het spoor bij het stationnetje van Ljmirë, halverwege Pec. De Albanese passagiers lopen opgewonden naar de ramen, juichen de mannen toe, ballen hun vuist in het UÇK-gebaar. De vrouwen roepen met glimmende ogen complimentjes naar de soldaten. Die moeten het marcheren noodgedwongen staken als ze door een kudde koeien in het nauw worden gedreven. Ze glimlachen verlegen naar hun fans.

Vanuit Pec, een stad vol Albanese vluchtelingen en Servische agenten, rijden bevriende Albanezen ons via stoffige weggetjes het Decani-gebied binnen. Via de dorpen Kruševac en Vranoc beschrijven we een halve cirkel rond de stad Decani, het centrum van de recente gevechten. De tocht eindigt in Rznic. De Serviërs hebben zich daar beperkt tot een korte, ongerichte artillerie-barrage. Zeven treffers met raketten, vijf inslagen van 120 millimeter granaten. Dat heeft in Rznic geleid tot kraters in tuinen en muren vol granaatscherven. Even ten westen van Rznic liggen de dorpen Prilep en Junik, die vrijdag naar verluidt met vliegtuigen zijn gebombardeerd. “Alles kaputt. Mein Haus, mein Haus”, mompelt een oude Albanees, die in een drankwalm verslagen langs de weg hurkt.

Onderweg wijst veel erop dat de UÇK nog niet de strak georganiseerde afscheidingsbeweging is die sommigen erin willen zien. In het militaire district dat strekt van Pec tot even ten zuiden van Vranoc deelt een voormalige majoor van het JNA, het vroegere Joegoslavische leger, de lakens uit. Deze goedlachse, zilverharige man draagt geen UÇK-emblemen. Die zijn in zijn district ook relatief schaars. Wel staat er hier en daar een houten schraag met een stopbord op de weg, of een slagboom. Deze posten worden bewaakt door ernstige mannen. “Wij zijn geen UÇK”, zeggen de mannen van Kruševac. “Wij verdedigen ons dorp.”

Even onder Vranoc wordt de situatie grimmiger. Veldmitrailleurs op driepoten, loopgraven, gecamoufleerde bunkers van losse vrachtwagencabines met een laag zandzakken erover heen. In de berm zitten dorpelingen in de schaduw tegen een muur. Ze worden toegesproken door een UÇK'er met baard: militaire instructie wellicht. Een commandant met marinierskapsel houdt ons staande. Om zijn middel draagt hij en gordel met kogelmagazijnen, messen, pistolen en een walkie talkie. “U moet terug”, beveelt hij. “De situatie is hier gevaarlijk. Misschien zijn jullie spionnen, hoe kan ik dat weten?” Na lang soebatten mogen we toch door. “Alleen vandaag. Komt u nooit meer terug.” Bij de volgende wegversperring dreigen woedende UÇK'ers onze Albanese chauffeur door het hoofd te schieten omdat hij ons hier heeft gebracht. De executie wordt afgeblazen na een gesprek met de commandent.

Hoe operereert het UÇK rond Decani? Onze reis bevestigt de mening van de Albanese politicus Fehmi Agani, die zegt dat alleen 'subregio's' direct door het Kosovo Bevrijdingsleger worden gecontroleerd. In vele andere dorpen tooien de zelfverdedingingsgroepen, die daar sinds maart zijn ontstaan, zich soms met UÇK-emblemen. UÇK-officieren trekken rond om de boeren militaire training te geven, maar dat betekent niet dat de dorpelingen ook allemaal de UÇK-lijn onderschrijven. Er zijn onder de opstandelingen twee handsignalen gangbaar. 'Hard-liners' ballen de vuist, opstandelingen die nog wel vertrouwen hebben in de pacifistische leider van de Albanezen in Kosovo, Ibrahim Rugova, maken met twee vingers het victorie-teken, zo lijkt het. UÇK staat namelijk voor twee dingen. Het staat voor een algemeen gevoel: de Albanezen van Kosovo laten niet langer over zich heen lopen, verdedigen hun huizen en families. En het staat voor een concrete, zeer gesloten afscheidingsbeweging met een militaire doctrine. Vandaar dat de Krasniqi's van Vranoc ons de ene keer vertellen dat ze “allemaal UÇK” zijn, en een minuut later dat ze tegen de UÇK zijn en vóór Rugova.

We brengen de nacht door in Vranoc. Bij de 68-jarige leraar en dichter Muharrem Krasniqi kijken we Euronews via de satellietschotel, eten eieren met zout en een magere kip, proberen de vele vragen over 2-Unlimited te beantwoorden, de Nederlandse technogroep waarvan de oudste zoon een fan is. De kleintjes, vandaag net teruggebracht uit dorpen verder van het front, komen in de loop van de avond jammerend en in hun ogen wrijvend de huiskamer binnendruppelen. Ze mogen op de bank verder slapen. Nachtmerries.

De volgende dag bezoeken we het graf van Adrian Krasniqi, de eerste echte UÇK-martelaar. In oktober vorig jaar werd hij volgens de Servische autoriteiten doodgeschoten bij een politiebureau, met een handgranaat in de ene en een kalasjnikov in de andere hand. Niemand weet wat er precies gebeurd is, maar na zijn dood kwam een foto van Adrian in UÇK-uniform boven water, uit Zürich. Duizenden Albanezen bezochten indertijd zijn begrafenis in Vranoc. Bij de begrafenis van de vier Krasniqi's die vorige week stierven, waren slecht zeven Albanezen van buiten het dorp aanwezig. De nieuwigheid is eraf. Het is oorlog.

“Wat moeten we doen”, vragen de twintigers Blerim en Shefqet Krasniqi 's avonds. “Is het beter dat we de Serviërs aanvallen? Komt de NAVO ons dan te hulp? Of moeten we op Rugova vertrouwen?” Ik probeer iets over een dialoog, bestaande grenzen op de Balkan die gerespecteerd moeten worden omdat anders in Macedonië en in Bosnië en in Albanië... “Aan jullie hebben we ook niets”, onderbreekt Shefqet me treurig.

    • Coen van Zwol