Meer dan woorden

Je hebt tegenwoordig een soort 'rituelen-makelaars', mensen die rituelen verzinnen voor gelegenheden die wel een ritueeltje kunnen gebruiken. Het gaat dan vooral om 'overgangssituaties' zoals huwelijk, doop en dood. Soms hebben mensen jaren later nog behoefte aan een ritueel om afscheid te nemen van een geliefde, of om het gevoel te krijgen dat ze afscheid genomen hebben, en zo'n rituelen-persoon verzint dan iets om te doen. Iets symbolisch.

De verleiding is tamelijk groot om die nieuwe rituelen een tikje lachwekkend te vinden. Nieuw, dus raar. Want wat is een ritueel zonder traditie? De kracht is dat iets gedaan wordt zoals het altijd gedaan is, dat het zo moet, om geen andere reden dan om zichzelfs wille. Word je nu door zomaar een mevrouw of meneer ('zomaar' wil zeggen: niet iemand aan wie je zien kunt of van wie je weet dat hij of zij in dit opzicht met enig speciaal gezag bekleed is) geïnstrueerd om een wilgentak in de hand te nemen, waaraan de katjes het ontluikende leven symboliseren, en die, na hem in de rivier van levend water gedoopt te hebben, op een stapel te leggen of iets dergelijks, dan is de kans dat deze handeling vooral potsierlijk voelt vrij groot.

Het gevoel van potsierlijkheid pleit misschien niet zozeer tegen het ritueel, als wel tegen de deelnemer eraan. Die wil zich niet overgeven aan de handeling, die wil de handeling bevragen. En dat is voor een goede uitvoering van het ritueel funest. Maar wat ook funest is, en dat is de narigheid met nieuwe rituelen, is niet weten hoe het hoort. Wie deelneemt maar aldoor om instructies moet vragen of naar zijn buren moet kijken, die gaat alleen maar op in 'hoe-hoort-het-eigenlijk', maar hij wordt geen seconde één met zijn handelingen.

Lammert Leertouwer, emeritus-hoogleraar theologie, zei enige tijd geleden in Trouw: “Het ritueel is de enige plek waar datgene wat wij vermoeden over de wereld en dat wat wij eraan beleven, samenvallen. Want overal elders in ons leven worden onze vermoedens uitgespeeld tegen de realiteit die wij voor ogen hebben en verliezen de vermoedens. [...] Het is verbluffend wat een ritueel vermag. Buiten het ritueel is het bijna onvermijdelijk dat je op een morgen wakker wordt en denkt: het is weg en wat gekker is, ik heb er geen last van dat het weg is. Hij bestaat niet.”

Hij had het vooral over kerkelijke rituelen. Die hebben traditie en die staan vast, zodat iedereen na enige tijd kan weten hoe het hoort. Daardoor maken ze mogelijk om te bewerkstelligen wat Leertouwer zo mooi zegt: dat onze vermoedens over en onze beleving van de wereld samenvallen. In dit geval: zolang men deelneemt aan het ritueel, is er geloof. Als men tenminste serieus deelneemt, niet zichzelf of het ritueel of degene die de regie heeft potsierlijk of verfoeilijk vindt, en niet in onzekerheid verkeert over wat er verwacht wordt.

Een grote kracht van de kerk is dan ook gelegen in het ritueel, dat mensen optilt en meeneemt en ze voor de duur ervan overtuigt van een aanwezigheid die ze daarbuiten soms niet (meer) kunnen voelen. Leertouwer voert dit zelfs nog een stapje verder: “'God bestaat niet' is een onweerlegbare stelling. Maar als ik bid, is Hij er. Daarover kan ik niet liegen.”

Zo bezien zou je zeggen: wie met overtuiging deelneemt aan een ritueel kan het bijna niet verkeerd doen. Die gelooft wat er te geloven valt, want de handelingen en het geloof zijn, tijdelijk, één. Ook al kan men buiten het ritueel niet precies belijden wat de kerk wil, dan nog pleit dat niet tegen deelname aan het ritueel, mits het met de al eerder genoemde inzet gebeurt.

De commissie die de oecumene van de kerken wil bevorderen heeft, naar ik heb begrepen, voorgesteld om, waar het gaat om het gemeenschappelijke communiceren (de avondmaalsviering of de eucharistie), niet over te gaan tot de allernauwkeurigste invulling van de betekenis van het ritueel. Men is het erover eens dat brood en wijn de aanwezigheid van Christus uitdrukken, maar onder welke gedaante, hoe we ons die aanwezigheid precies moeten voorstellen, daarover is het beter niet verder te spreken. Dat is een wijs voorstel dat iedereen zijn eigen overtuiging laat en toch het heilige karakter van het ritueel niet aantast. Bovendien geeft het blijk van een gevoel dat raakt aan de ware aard van het ritueel: dat het gaat om handelingen die niet te vangen zijn in woorden. Als dat kon was er geen ritueel nodig. Het ritueel drukt iets uit dat op geen andere manier uit te drukken is, en schept ruimte voor een beleving die op geen andere manier te verkrijgen is. Daarin stemt het ritueel volmaakt overeen met kunstbeleving. Muziek is alleen maar te ondergaan als muziek en alleen maar op het moment zelf, en zo laat ook geen gedicht zich samenvatten en geen roman zich navertellen: alles is er alleen maar zolang het er is.

Maar, zoals we de afgelopen week maar al te goed gemerkt hebben, daarmee is het probleem niet opgelost. Een ritueel is meer dan handelingen die iets symboliseren. Sterker, de filosoof Frits Staal, die zich uitvoerig met (vooral Vedische) rituelen heeft beziggehouden, schrijft in zijn boek Over zin en onzin in filosofie, religie en wetenschap dat een ritueel niet in de eerste plaats iets uitdrukt, maar in de eerste plaats iets is. De meeste rituele handelingen zijn niet precies uit te leggen, en de bedoeling ervan al evenmin. Doorredenerend komt hij uit op de hypothese dat het ritueel een zuivere handeling is, zonder zin of doel. “Hieruit volgt niet dat het geen waarde zou hebben, maar dat de waarde die het heeft intrinsiek is.”

Het is een brutale stelling die men geneigd is meteen tegen te spreken, maar Staals uitleg is wel interessant. Zodra we een rituele handeling vergelijken met een alledaagse handeling, schrijft hij, zien we het verschil: bij rituele handelingen tellen de handelingen zelf, bij daagse handelingen telt het resultaat. Daarom moet een ritueel foutloos worden uitgevoerd. Daarom kan men bijvoorbeeld niet het heilige vuur gebruiken voor het aansteken van een sigaret, noch borrelen met de miswijn.

Staals theorie is heel radicaal. En al kunnen de woordrijke westerse kerken wel degelijk uitleggen waarom het allemaal zo moet gaan als het gaat, feit is dat er aan de handelingen niets veranderd mag worden. In de Heidelberger catechismus staat uiteengezet waarom de 'Paapse Mis', anders dan 'het Avondmaal des Heeren' een verloochening is van het offer van Christus en 'een vervloekte afgoderij'. Reden waarom ook de Gereformeerde Bond niet blij was met de huwelijksdienst van M en M. En kardinaal Simonis houdt, wat Frits Staal met gemak voorspeld zou kunnen hebben, vast aan de onveranderlijke regels van het roomse ritueel. Staal: “Een nuttige instelling is open; zij kan veranderingen ondergaan, omdat men ernaar streeft haar nuttiger (of minder nuttig) te maken. Een zinloze instelling is gesloten; zij wordt niet begrepen en kan daarom alleen bewaard of afgeschaft worden.”

Dat is niet iets wat men graag over zich gezegd moet willen hebben. Dan liever een wat beweeglijker ritueel, ook al is dat wellicht in strijd met de uitsluitend naar zichzelf verwijzende aard ervan. Dan blijft tenminste de ervaring van Leertouwer bewaard, dat het 'verbluffend' is, wat het ritueel vermag.

    • Marjoleine Vos