Geldnamen

Het zal inmiddels wel tot iedereen zijn doorgedrongen dat de euro eraan komt. Per 1 januari in het girale verkeer, drie jaar later in onze portemonnee. Wat betekent dat nu voor onze geldnamen? Gaan we vijf eurocent straks een stuiver noemen en tien eurocent een dubbeltje? Maar wat doen we dan met twintig en vijftig eurocent? Daar hebben we immers geen namen voor paraat.

En wat betekent dit alles op de lange termijn? Komt er een tijd dat wij aan onze kinderen of kleinkinderen moeten uitleggen wat een riks was, en wat een daalder? Zal dan ook de uitdrukking voor een dubbeltje op de eerste rang verdwenen zijn, samen met tientallen, zo niet honderden andere uitdrukkingen waarin poen een rol speelt?

Dat laatste is zeer onwaarschijnlijk. Ook nu gebruiken we in uitdrukkingen zaken die allang uit het dagelijks leven verdwenen zijn. Niemand laat zijn schulden in de kroeg nog in een kerfstok snijden, maar dat weerhoudt ons er niet van die stok spreekwoordelijk ter hand te nemen. Het maakt ons zelfs niet uit als er in een spreekwoord onbekende woorden voorkomen. Als we maar weten hoe het spreekwoord moet worden gebruikt. Of wou u beweren dat u weet wat de oorspronkelijke betekenis is van iemand in de luren leggen, onder de plak zitten en van leer trekken? En dus gebruiken we ook moeiteloos botje bij botje leggen, terwijl niemand meer weet dat botje van oorsprong een geldnaam is. De laatste botjes - of eigenlijk botdragers - werden in de Middeleeuwen geslagen, maar de uitdrukking is nog springlevend.

Over het voortbestaan van muntnamen in gangbare zegswijzen hoeven we ons dus geen zorgen te maken. Minder zeker is hoe het zal aflopen met namen voor munten en biljetten die niet in een populaire uitdrukking een veilig heenkomen hebben gevonden. Dat geldt vooral voor de talloze bijnamen voor geld. Het is bijvoorbeeld niet erg waarschijnlijk dat snip en vuurtoren de financiële eenwoording van Europa zullen overleven. Anderzijds: de rooie rug leeft nog altijd voort, terwijl het bankbiljet waarop die naam oorspronkelijk betrekking had - het roodgerugde duizendje van 1860 - allang is verdwenen. Ook het oorspronkelijke geeltje dateert uit dat jaar. Kortom, we weten niet precies wat de komst van de euro voor effect zal hebben op de overlevingskansen van onze geldnamen.

Zeker is dat er sinds de invoering van het huidige decimale geldstelsel, in 1816, ontzettend veel namen voor munten en biljetten zijn geweest. Ik heb er het afgelopen jaar ruim 350 verzameld. Vooral het Bargoens is wat dit betreft een zeer rijke bron. Dat is logisch, want in de dieventaal speelt geld natuurlijk een belangrijke rol. De jongens van de vlakte spraken, om niet door anderen, agenten of cipiers bijvoorbeeld, te worden begrepen, een geheimtaal. Voor de veiligheid pasten zij hun woordenschat regelmatig aan. Veel van die Bargoense geldnamen zijn inmiddels verdwenen, maar er zijn er ook heel wat tot de algemene spreektaal doorgedrongen.

Voor nieuwe munten en biljetten werden ook steeds nieuwe namen bedacht, waarbij de afbeelding, de waarde, de kleur of het materiaal als houvast diende. Dat is nog steeds het geval en ongetwijfeld zal het straks met de euro net zo gaan. Binnen de kortste keren zullen daar nieuwe bijnamen voor ontstaan. Maar op den duur zullen ook heel wat 'oude' bijnamen in ons toch al overvolle Taalmuseum worden bijgezet. Op de afdeling 'Geld' is daar nu al een zeer rijke en kleurrijke woordenschat te bewonderen. Die zal de komende tijd onregelmatig in deze rubriek aan de orde komen, van de zeventien volksnamen voor 'halve cent' tot de zestien voor 'duizend piek'.

Ter inleiding nu heel kort iets over het ontstaan van het huidige, decimale geldstelsel. Zoals gezegd werd dit in 1816 in Nederland ingevoerd. Tot die tijd maakte men gebruik van een tweetallig stelsel. Bijna alle muntzaken werden centraal geregeld door de Staten-Generaal, maar iedere provincie had zijn eigen munthuis. In 1806 maakten de Franse overheersers daar een eind aan. Vrijwel meteen nadat zij het land waren uitgeschopt, werd De Nederlandsche Bank opgericht. Dat was op 5 april 1814. Precies een week later waren de eerste bankbiljetten klaar. Er was ook zo een bijnaam voor gevonden. Omdat ze aan één kant rood van kleur waren, sprak het volk al snel van roodborstjes. Die naam is inmiddels al naar het Taalmuseum afgevoerd, samen met die uiterst primitieve bankjes, waarover later meer. P.S. Dank voor de vele reacties - ruim 25 - op mijn oproep om varianten in te sturen van de uitdrukking: Dat slaat als kut op Dirk. Ze maken duidelijk dat deze uitdrukking al in het begin van de jaren zestig ook buiten Amsterdam bekend was. Er werden vijftien nieuwe varianten ingezonden, wat het totaal op vijftig brengt. Er zaten verscheidene unica bij, maar andere varianten blijken wijdverbreid te zijn, zoals dat slaat als een lul in een bord pap, dat slaat als een drol tegen (of: op) een sluisdeur en dat slaat als een paardenlul op een turkse trom. Fraai zijn de varianten waarbij het schuttingwoord is vervangen door iets onschuldigs, zoals dat slaat als een hm tegen de kerktoren, dat slaat als orgaan op Dirk en dat slaat als kul op Dirk (opgetekend uit de mond van Maarten van Traa). Ook de variant dat slaat als een tiet op dikke Leo zal eufemistisch van aard zijn.

Het mannelijk geslachtsorgaan speelt verder de hoofdrol in dat slaat als een pik op Saartje, dat slaat als een lul op een bolhoed en dat slaat als een lul op een trommel.

Het vrouwelijk geslachtsorgaan vinden we nog in dat slaat als een kut op een gebakje en dat slaat als kut op een kadetje.

De vreemdste variant werd in de jaren veertig gehoord in Rotterdam en luidt dat slaat als een mattenklopper op de Sinaï. Reacties blijven welkom. Svp ook vermelden waar en wanneer gehoord. En natuurlijk niet zomaar iets verzinnen!