Ethiopië en Eritrea tegen elkaar opgewassen

De ruziënde buren Eritrea en Ethiopië kunnen over en weer rake klappen uitdelen, maar geen van beide landen is militair sterk genoeg om andermans grondgebied te kunnen inlijven.

ROTTERDAM, 8 JUNI. De soldaten van zowel Eritrea als Ethiopië zijn gehard in de guerrilla tegen het marxistisch geïnspireerde bewind van de Ethiopische president Mengistu Haile Mariam. Ze erfden veel Sovjet-materieel van Mengistu toen ze hem in 1991 verdreven. Ethiopië heeft een landmacht van 120.000 man, Eritrea ruim 40.000. Ethiopië heeft enkele tientallen operationele gevechtsvliegtuigen, Eritrea minder dan 10.

Eritrea is weliswaar een veel kleiner land dan Ethiopië, maar het heeft op militair gebied een formidabele reputatie te verliezen. Meer dan dertig jaar lang hielden achtereenvolgens het Eritrese Bevrijdingsfront (ELF) en het daarvan afgesplitste Eritrese Volksbevrijdingsfront (EPLF) het numeriek veel sterkere Ethiopische leger op afstand. De strijdkrachten van de Ethiopische president Mengistu leunden, tot zijn afzetting in 1991, zwaar op de Sovjet-Unie. Niet alleen waren ze het uitgerust met Sovjet-materieel, maar ook de doctrine - veel tanks, veel grondaanvalsvliegtuigen - was op Sovjet-leest geschoeid. Het tij wisselde regelmatig gedurende het conflict, maar gemiddeld hadden de Eritreërs de overhand. Samen met de verzetsbewegingen van de Ethiopische provincies Wollo en Tigre bleken de beweeglijke en licht bewapende guerillastrijders ongrijpbaar.

Bij de onafhankelijkheid in 1993 had Eritrea een grote troepenmacht: bijna vijftigduizend man, op een bevolking van nog geen vier miljoen mensen. Die legermacht is de laatste vijf jaar met bijna tienduizend teruggebracht. Het is, met een groot aantal mobiele, zelfstandig opererende eenheden, nog steeds georganiseerd als een guerrillaleger. De Eritrese luchtmacht is verwaarloosbaar. Er vliegen enkele Italiaanse Aermacchi aanvalsvliegtuigjes rond, maar die kunnen in het conflict met Ethiopië weinig gewicht in de schaal leggen. Bij de professionalisering van de strijdkrachten zijn Israelische instructeurs betrokken - ook de uitrusting is deels uit dat land afkomstig.

Behalve dat Eritrea gehard is door de tientallen jaren strijd tegen het grote buurland, heeft de jonge natie de laatste jaren ook bewezen militair te willen ingrijpen om politieke eisen kracht bij te zetten. In 1995 bezetten Eritrese troepen de Hanish-eilanden in de Rode Zee en verdreven het Jemenitische garnizoen. Onder de eilandjes werd olie vermoed. Het territoriale geschil met Jemen werd dankzij internationale bemiddeling bijgelegd: eventuele grondstoffen worden gelijkelijk over de twee landen verdeeld. Ook met zuiderbuur Djibouti, waar een permanente Franse troepenmacht van 3.900 man is gelegerd, bestaat een territoriaal geschil over een gebied ter grootte van 64 vierkante kilometer. Ook naar aanleiding van dit geschil werd melding gemaakt van schermutselingen.

Ethiopië raakte in 1991 opgescheept met een even reusachtige als wanordelijke erfenis. Het leger, met een toenmalige omvang van 230.000 en nog eens 140.000 militieleden, was vooral een instrument van binnenlandse onderdrukking geweest. Begin jaren negentig hadden dan ook ingrijpende zuiveringen plaats. Tegenwoordig zijn de rangen vooral gevuld met de voormalige guerrillastrijders van de Wollo- en Tigre-bevrijdingsfronten. Die kennen de tactieken van hun voormalige bondgenoten, maar de legermacht van 120.000 man kan niet pretenderen in staat te zijn Eritrea te veroveren. Met een tweemaal groter leger is dit immers ook nooit gelukt. Wel kan Ethiopië nog harde klappen uitdelen met zijn luchtmacht, waaronder zo'n dertig jachtbommenwerpers van het type MiG-21 en MiG-23. Hiermee zouden bijvoorbeeld de havensteden Assab en Massawa kunnen worden bestookt en zodoende de maritiem georiënteerde Eritrese economie worden getroffen. Gezien de gebleken trefzekerheid van de Eritrese luchtdoelartillerie, moeten verliezen dan wel worden ingecalculeerd.