Crèche gaat plat en wordt duurder

In zo'n 350 kinderdagverblijven blijven morgen de deuren dicht. Het personeel gaat in Utrecht demonstreren voor een nieuwe cao. Want het bod van de werkgevers, 5,4 procent meer loon, vinden de vakbonden 'volstrekt onvoldoende'.

DEN HAAG, 8 JUNI. Of de jonge vader zijn handtekening wilde zetten onder een adhesiebetuiging voor het stakende personeel van de crèche? Natuurlijk wilde de jonge vader dat; de leidsters van de 'klauterkaboutersgroep' die zijn dochtertje van anderhalf leren tandenpoetsen, mogen wel wat meer verdienen. “Dat hun hogere loon míj geld zou kosten, daar heb ik niet aan gedacht”, zegt de jonge vader, die maandelijks 900 gulden aan kinderopvang betaalt.

Toch moeten ouders zo'n 15 procent meer gaan betalen voor de kinderopvang als de vakbonden hun zin krijgen. Dat is althans de waarschuwing van de VOG, de werkgeversorganisatie in de welzijnssector. Want de overheid heeft het geld niet om de looneisen van de bonden in te willigen. En die willen voor de ruim 21.000 personeelsleden in de kinderopvang een loonsverhoging met terugwerkende kracht van 3,75 procent, vanaf 1 april dit jaar, én een uitkering van 0,75 procent van het jaarinkomen in december.

De VOG komt met een lager bod: drie procent meer loon per 1 september en 2,4 procent op 1 april volgend jaar, in een CAO die tot eind 1999 zou moeten gelden. Maar daar nemen de werknemers in de kinderopvang, met een schuin oog naar de eerder afgesloten cao in de ziekenhuizen, geen genoegen mee. Dus blijven morgen zo'n 350 kinderdagverblijven gesloten. Het personeel demonstreert dan in Utrecht.

Kinderopvang is een financiële kwestie van drie partijen: de overheid, werkgevers en de ouders. Er gaat zo'n 1,1 miljard gulden in deze branche om. Overheid en ouders nemen daarvan de laatste jaren elk 40 procent voor hun rekening, werkgevers de overige 20 procent. Over die verdeling bestaat weinig onenigheid, wel over de 1,1 miljard. Dat bedrag zorgt voor de helft van wat er volgens het kabinet aan kinderopvang beschikbaar zou moeten zijn. Minister Melkert (Sociale Zaken) stelt keer op keer dat de overheid voortaan vierhonderd miljoen gulden extra bij moet passen. Voorwaarde is wél dat ouders en werkgevers ook hun bijdrage verdubbelen.

De ruim één miljard gulden is goed voor zo'n 75.000 plaatsen voor kinderen tussen de 0 en 13 jaar. Grofweg tweederde van de plaatsen is voor kinderen tussen de 0 en 4 jaar, eenderde gaat naar de rest. Omdat veel kinderen niet alle vijf de werkdagen van de week worden opgevangen, kunnen met de 75.000 plaatsen zo'n 210.000 kinderen terecht - minder dan 8 procent van alle kinderen tot en met 13 jaar. Blijven over 2,6 miljoen kinderen in de leeftijd van 0 tot 14 jaar, die het in het algemeen moeten hebben van ooms, tantes, opa's, oma's en zwart werkende oppassers. Of natuurlijk gewoon van vader of moeder die niet buitenshuis werkt, al dan niet omwille van het kind.

Wat het kabinet en vele anderen betreft, belemmert de gebrekkige kinderopvang, in kwantitatieve zin, de arbeidsparticipatie van vooral vrouwen. Dit is des te meer ongewenst omdat op de lange termijn iedereen die kan werken ook zal moeten werken. De aanwas van jongeren neemt af en die van gepensioneerden toe, waardoor minder mensen de uitkeringen van meer AOW'ers moeten opbrengen.

Niet alleen ontbreekt het aan opvangcapaciteit, ook het systeem waarmee ouders afhankelijk van hun inkomen een steeds groter deel van de opvangkosten zelf moeten betalen, staat bloot aan kritiek, onder meer van een groep ambtenaren uit verschillende ministeries. Neem een vrouw, die een baan aanvaardt op het minimumloon, zo stelden de ambtenaren. Zij ziet het gezinsinkomen stijgen. Maar haar kosten voor de noodzakelijke kinderopvang bedragen dan ongeveer de helft van het nieuw verworven inkomen. Zou ze meer gaan verdienen, dan stijgen haar kosten evenredig. Arbeidsontmoedigend, noemt de groep ambtenaren het.

De kinderopvang is voor veel gezinnen met lage inkomens nog te duur. Ondanks de extra subsidie waardoor ouders met een minimuminkomen jaarlijks 'slechts' 1.500 gulden (125 gulden per maand) voor een plaats zelf moeten betalen. Overheid en werkgevers betalen de resterende kosten - een plaats kost gemiddeld zo'n 18.000 gulden per jaar. Gezinnen met een inkomen van meer dan 90.000 gulden betalen ten minste 13.000 zelf. De overheid betaalt in de vorm van een subsidie aan de kinderopvang of van een aftrekpost voor de ouders. Ook werkgevers kunnen een subsidie krijgen voor elke kinderopvangplek die ze hebben gecreëerd.

De kostprijs van 18.000 gulden is een gemiddelde met een grote variatie. Sommige crèches werken zodanig dat de kostprijs 16.000 gulden is, voor anderen geldt een kostprijs van 23.000. De prikkel voor kinderdagverblijven om efficiënter te werken ontbreekt echter, omdat de prijzen voor kinderopvang per gemeente zijn vastgesteld. De kostprijs is de afgelopen jaren wel sterk gestegen. De oorzaak hiervoor is de meer dan gemiddelde loonstijging van het personeel in de kinderopvang. Bijna driekwart van de kosten in de kinderopvang is personeelskosten. In de jaren 1989-1993 bijvoorbeeld stegen de lonen in Nederland met 15 procent, maar in de kinderopvang met 22 procent.

De looneisen van de bonden leiden derhalve tot een hogere kostprijs en, omdat de overheid niet wil betalen, tot hogere kosten voor de ouders. Werkgevers en werknemers zijn het er wel over eens dat de professionalisering de laatste jaren van de kinderopvang in de loonopbouw tot uiting moet komen. Vooral voor de gediplomeerde groepsleidsters is dit nodig. Die verdienen nu maximaal (met acht jaar ervaring) 3.285 gulden bruto per maand. De bonden willen dat ze er vanaf 1 april los van de algemene stijging driehonderd gulden per maand bijkrijgen. De werkgevers willen het 'bijtrekken' over meerdere jaren uitsmeren.

Inzet van het conflict tussen werkgevers en bonden is overigens niet alleen het percentage waarmee de lonen moeten stijgen, maar ook de werkdruk. De werkgevers en bonden voeren nu ook 'oorlog' over de groepsgrootte die onlangs door middel van een algemene maatregel van bestuur is opgetrokken van tien naar vijftien kinderen per leidster.