Vogels

Vogel neergestort. Niemand is er nog bij geweest. Maar we kunnen hem wel zien liggen. Wat pootjes, veren en een hoopje. We zeuren de blauwen de kop gek om even te kijken. Misschien leeft die nog? Heeft die voedsel en water nodig? Kan die nog worden gered? Maar we hebben geen schijn van kans. Buiten de lucht komt niemand op de plaats. Zo zijn de regels en daarvan wordt niet afgeweken.

We hebben nog twee uur te gaan, iedereen hangt voor zijn raampje en telt de minuten af. Vogels zijn belangrijk. Ze zijn de enige vrijheid die we nog hebben. Zij zo onbekommerd in de lucht en wij zo opgeborgen achter de tralies. De meesten kunnen er geen genoeg van krijgen. Urenlang kunnen ze ernaar kijken en na elke hap liggen de richels vol met broodkorsten om ze nog dichterbij te halen.

Meestal is het alleen maar oppikken en wegwezen. Maar gisteren ging er eentje zitten. Een meeuw. Levensgroot vulde hij mijn raampje. Met grote schrokken slokte hij de korsten naar binnen, keek me even aan en wiekte vorstelijk weg. Tot de laatste tralie bleef ik hem volgen. Ook toen ik hem niet meer kon zien hoorde ik hem nog ... schriek... schriek... en soms als het gebonk, het geschreeuw en de Allah-kreten me te veel werd, maakte ik mezelf wijs dat hij me riep: “Kom, Ferdy, laten we gaan, weg met die tralies, wees net als ik.” Als je nachtenlang alleen maar wanhoop hoort bijt je je al gauw in elk geluid vast, en zeker in de schriek van een meeuw, die je van zo dichtbij hebt gezien.

Bij de lucht is het een drukte van belang. Iedereen roetst zo snel mogelijk langs de X-ray en binnen een mum van tijd staat er een grote kring om de vogel. Veel is er niet meer van over: een paar verdwaalde veren, wat bloed en vlees. Er wordt geen woord gezegd. Iedereen is vol van de vogel en staart bedrukt naar zijn resten. Een paar uur geleden nog zo onaantastbaar in de lucht en nu alleen nog maar een paar stukken. Daar wordt niemand vrolijk van. Opeens trekt de Antilliaan uit 92 een stuk karton uit zijn hemd en begint hem er voorzichtig op te vegen.

“Wat krijgen we nou?” Wantrouwig kijken twee blauwen hem aan. “Ach, niks, we willen hem alleen maar begraven.”

Hoofdschuddend nokken ze af. Als hij klaar is, graven we een kuiltje. Voorzichtig leggen we hem erin en schuiven de aarde beetje bij beetje terug. Langzaam zakt de vogel weg. Het laatste dat we zien, is zijn pootje.

“Weer een beetje vrijheid weg”, mompel ik. Iedereen knikt. Vogels zijn belangrijk.

    • Ferdy Verschuur