Striptekenaar Giesen krijgt prijs

Voorafgaand aan de Haarlemse Stripdagen, die gisteravond zijn begonnen, werd de tweejaarlijkse prijs voor aankomend striptalent uitgereikt aan cartoonist Matthias Giesen. “Monsters zijn natuurlijk een dankbaarder onderwerp dan mooie mensen.”

HAARLEM, 6 JUNI. Een echte striptekenaar is Matthias Giesen (1968) eigenlijk niet. “Ik heb wel wat boekjes gevuld met de avonturen van stripheld Boer Jelmen. Maar dat was toch meer een serie achter elkaar geplakte cartoons. Ik had me voorgenomen om het uiterlijk van de hoofdpersoon voortdurend te laten veranderen. Eigenlijk móest dat ook wel: ik vond het namelijk moeilijk om steeds hetzelfde figuurtje te tekenen.”

Zijn andere strip-initiatieven kenmerken zich door een even luchtig en experimenteel karakter. Zo knutselde Giesen een verhaal in elkaar door de plaatjes van een bestaande avonturenstrip los te knippen en - voorzien van nieuwe teksten - in een geheel andere volgorde te plakken.

Tijdens zijn studie aan de Rotterdamse Kunstacademie trok hij vooral op met medestudenten die zich met 'humor en poppetjes' bezig hielden. Met geestverwant Kees Torn (tegenwoordig bekend als cabaretier) verzon hij cartoons. “Dat ging zo goed dat we al snel wekelijkse sessies gingen houden. We moesten overigens wel aan elkaar wennen, Kees had de gewoonte om op de vreemdste momenten in een holle schaterlach uit te barsten.”

Samen met Torn schreef hij ook sketches, onder meer voor radio Rijnmond. De aandrang om op een podium te gaan staan ontbreekt hem echter. “Ik zit liever achter mijn bureau te tekenen.”

Giesen beschouwde het verzinnen van grappen als een heilzaam tegenwicht voor de sfeer op de Academie. “Kunst werd er zo vreselijk serieus genomen. Ik voelde me meer tot humoristische dingen aangetrokken. Als ik in een museum loop, vind ik het ook altijd een verademing als ik werk van dadaïsten tegenkom.”

Kees Torn introduceerde hem bij Barwoel, een stripblad dat door een paar studenten van de Academie was opgericht. “Het was een arbeidsintensief tijdschrift, zeker het poëzie-nummer waar de redactie eigenhandig poesieplaatjes in plakte en ieder nummer ook nog van een authentieke koffievlek voorzag.”

Dat hij op de Kunstacademie terecht kwam, acht Giesen betrekkelijk toevallig. “Op de Middelbare school vond ik natuurkunde en scheikunde interessante vakken. Maar ik haalde er geen goede cijfers voor.”

Iets van die interesse valt nog wel te bespeuren in de vele uitvinders, wijsgeren en denkers die in zijn cartoons voorkomen. “Wetenschappers zijn erg leuk om te tekenen. Maar ik mag ook graag grappen maken over monsters, zombies en maniakken uit goedkope horrorfilms.”

Sinds vorig jaar is het hem gelukt 'uit de uitkering te komen' en voorziet hij in zijn onderhoud met zijn tekenwerk. Hij maakt elke dag tenminste één cartoon. Als voorbeelden noemt Giesen de Amerikaanse tekenaar Gary Larson ('The Far Side') en de cartoons uit The New Yorker.

Samen met collega Marcel Ruijters leefde Giesen zich een tijdlang uit in het creëren van monsters. “Na verloop van tijd begon ik er een beetje genoeg van te krijgen om steeds weer die lelijke koppen te tekenen. Het was vooral een kwestie van tekenen om het tekenen. Monsters zijn natuurlijk een dankbaarder onderwerp dan mooie mensen. Schoonheid heeft weinig lijnen nodig. Met een mooi gezicht ben je snel klaar, terwijl je je bij gedrochten in allerlei griezelige details uit kunt leven.”

Hij heeft op zolder nog 'stapels monsters' liggen. “Maar het maken daarvan is op den duur niet bevredigend. Ik vind het spannender als ik ook een tekstje in zo'n tekening kan verwerken zodat er een wisselwerking tussen beeld en tekst ontstaat.”

In Café Fortuin (Grote Markt 23, Haarlem) is tijdens de Stripdagen (5-7 juni) een expositie van de cartoons van Matthias Giesen te zien.

    • Erik Spaans