Slapende pensioenrechten; Overdracht is niet altijd voordelig

Pensioenrechten kunnen worden overgedragen. Alles in een potje lijkt overzichtelijk. Voordelig kan het ook zijn, maar niet altijd.

Als een werknemer voor het bereiken van de pensioenleeftijd bij een baas vertrekt en deelnam aan een pensioenregeling wordt er vastgesteld op hoeveel pensioen die werknemer kan rekenen als hij op de pensioendatum aankomt. Ook kan er nog een recht bestaan op een partnerpensioen (voor de echtgenoot of partner) als de ex-werknemer komt te overlijden. Het recht om de pensioenuitkeringen werkelijk te gaan ontvangen ontstaat dus pas in de toekomst. Die pensioenrechten groeien natuurlijk ook verder niet mee in de carrièrelijn bij een volgende werkgever. De oude rechten zijn als het ware 'slapend' tot de pensioenleeftijd en worden dan ook vaak 'slapersrechten' genoemd. Het niet verder mee ontwikkelen van de slapersrechten is er dan ook vaak de oorzaak van dat er pensioenverlies ontstaat als gevolg van de breuk in de pensioenopbouw.

Omdat de werknemer op termijn pensioenuitkeringen zal gaan ontvangen moet de pensioenuitvoerder een bepaalde pot met geld voor hem in reserve houden: de 'reservewaarde'. In het verleden konden de werknemers niets met die slapersrechten en de daaraan verbonden reservewaarde doen. Ze moesten geduldig afwachten totdat zij de pensioenleeftijd bereikten en dan konden zij het geld gaan incasseren. (Of bij hun overlijden hun pensioengerechtigde nabestaanden.)

In de Pensioen- en spaarfondsen Wet (PSW), die de pensioenrechten van werknemers beschermt, is sinds 1994 het recht voor de werknemer opgenomen om, als hij naar een andere werkgever gaat, de 'pensioenreservewaarde', die bij het pensioenfonds of de pensioenverzekeraar van de vorige werkgever staat, over te laten dragen naar de pensioenuitvoerder van de nieuwe werkgever. Dat recht kan alleen geblokkeerd worden door het pensioenfonds als die aantoont dat het fonds in financiële problemen zou komen als zij die reservewaarde aan en ander moet afstaan. Bij pensioenrechten, die ondergebracht zijn bij een pensioenverzekeringsmaatschappij, kan het recht geblokkeerd worden door de ex-werkgever. Die moet dan aantonen daardoor in financiële problemen te raken. Wanneer de ex-werknemer van zijn recht gebruik wil maken en als zou blijken dat er voor zijn rechten nog niet genoeg premie aan de verzekeraar betaald zou zijn, dan moet de ex-werkgever dat namelijk in een keer bijbetalen.

De bedoeling van de wetgever met het recht op reservewaardeoverdracht was zeer nobel. De 'slapersrechten' zouden zich wat beter mee moeten ontwikkelen met het verdere verloop van het salaris van de werknemer bij zijn nieuwe werkgever(s). Een eenvoudig voorbeeld ter verduidelijking.

Mevrouw Y werkt tien jaar bij werkgever A. Zij heeft vanuit dit dienstverband op haar 65-ste recht op 10.000 gulden ouderdomspensioen per jaar. Daarna werkt zij twintig jaar - tot haar pensioenleeftijd - bij werkgever B. Wanneer zij start bij baas B krijgt zij een aanspraak op 20.000 gulden ouderdomspensioen. Maar door de ontwikkeling van haar salaris gedurende die twintig jaar blijkt haar ouderdomspensioen zich op haar 65-ste aangepast te hebben tot een uitkering van 30.000 gulden per jaar. Samen met het pensioen van werkgever A is dat 40.000 gulden per jaar.

Als zij van het recht op reservewaardeoverdracht gebruik zou maken dan spreekt zij met het pensioenfonds of de pensioenverzekeraar van de werkgever A af dat zij van die pensioenuitvoerder geen pensioenuitkeringen zal hoeven te ontvangen, mits dat fonds of die verzekeraar de reservewaarde overmaakt naar de uitvoerder van de pensioenregeling van werkgever B. Bij het pensioenfonds/de verzekeraar van werkgever B krijgt zij nu een aanspraak op f 20.000 ouderdomspensioen plus (ongeveer) 10.000 gulden extra (vanuit de ontvangen reservewaarde.) In principe dus in totaal voor mevrouw A niets meer of minder dan dat het geld bij de vorige pensioenuitvoerder zou blijven staan. Maar die aanspraak van 10.000 gulden wordt vertaald in extra jaren, waarover pensioen kan worden opgebouwd. Het pensioenfonds rekent bij salarisstijgingen niet met de twintig jaren die mevrouw A werkelijk bij baas B doorbrengt, maar met dertig jaar. Als nu haar salaris ontwikkelt kan zij op haar pensioendatum 45.000 gulden gaan ontvangen; en anders zou zij 40.000 gulden per jaar hebben gekregen.

Echter, in Nederland zijn er 20.000 verschillende pensioenregelingen en reservewaardeoverdracht werkt niet altijd positief uit. In de situatie van mevrouw A kan het ook als volgt gaan. Het pensioen van werkgever A wordt - nadat zij daar is weggegaan - geïndexeerd; aangepast aan prijzen of lonen. Op haar 65-ste blijkt de oorspronkelijke 10.000 gulden ouderdomspensioen van werkgever A geïndexeerd te zijn tot 15.000 gulden uitkering per jaar. Bij baas B krijgt zij bij aanvang een aanspraak op 20.000 gulden ouderdomspensioen per jaar maar dat zal bij een salarisontwikkeling verhoogd gaan worden naar 25.000 gulden op haar pensioenleeftijd. Bijvoorbeeld omdat het pensioen maar tot een bepaald maximum salaris wordt aangepast of omdat niet alle dienstjaren meetellen. Als zij de pensioenreservewaarde bij het pensioenfonds of de -verzekeraar van werkgever A laats staan heeft zij op de pensioendatum (15.000 + 25.000 = 40.000 gulden aan ouderdomspensioen. Laat zij de reservewaarde wel overdragen naar de pensioenuitvoerder van werkgever B dan heeft zij bij aanvang een aanspraak op 30.000 gulden. Op haar pensioendatum blijkt zij 37.500 te gaan krijgen. Dus minder dan dat zij de reservewaarde zou hebben laten staan.

Bij einde van deelname aan een pensioenregeling en opnieuw beginnen bij een andere werkgever zijn zowel de werkgever waar u vertrekt als de werkgever waar u gaat werken verplicht om u te wijzen op het recht van reservewaardeoverdracht. Als u dat wilt laten onderzoeken dan zal de 'nieuwe' pensioenuitvoerder contact opnemen met de voormalige uitvoerder. Beiden zullen u laten zien hoeveel pensioenrecht u bij ieder heeft en de nieuwe laat zien hoeveel pensioen u extra zal krijgen. Onderzoek dan eerst hoe in beide gevallen de pensioenrechten zich kunnen gaan ontwikkelen en neem dan pas een besluit.

Het recht op reservewaardeoverdracht geldt alleen als u na juli 1994 van baan bent veranderd. Voor opgebouwde pensioenrechten van vóór juli 1994 is het geen recht. Toch kunt u vragen aan het pensioenfonds of de pensioenverzekeraar om ook voor die gevallen mee te werken aan reservewaardeoverdracht. De PSW staat het toe. Maar de pensioenuitvoerder (zowel die waar het oude pensioenrecht staat als de uitvoerder van uw huidige pensioenregeling) hoeft hieraan niet mee te werken. Willen de pensioenuitvoerders wel meewerken ga dan ook in die gevallen na of het wel verstandig is. Het is immers veel plezieriger om van twee fondsen of verzekeraars in totaal 45.000 gulden per jaar te ontvangen dan vanuit één pot 37.500 gulden per jaar.

    • Rob Goedhart