'Rijsmiddelen' en inkomensbronnen

Meer dan eens menen lezers dat aandelen en obligaties familie van elkaar zijn: het aandeel als druk baasje, en de obligatie als de ideale, bedaarde schoonzoon. Wie schrikt van wispelturige aandelen, kiest voor obligaties. In feite hebben deze twee effecten weinig gemeen.

Een aandeelhouder neemt deel in een bedrijf en loopt daardoor economisch risico, want een bedrijf kan goed, matig of slecht presteren. Daarvoor wordt hij jaarlijks beloond met (belastbaar) dividend, andere uitkeringen en soms komt er geen cent op tafel. Loopt de onderneming goed, dan zullen de aandelen (onbelast) in waarde stijgen.

Zijn daarbij de aandelen van het bedrijf genoteerd aan de beurs (zeer vele zijn dat niet), dan stijgen of dalen deze extra in waarde door de modieuze grillen van beleggers, speculanten en handelaren. Neem technologiefondsen als Baan en ASML: in de mode, dan weer niet, populair, verguisd, enzovoort.

Wie obligaties koopt, leent zijn geld uit aan de overheid, het bedrijfsleven of andere instellingen. Als vergoeding ontvangt hij ieder jaar rente en op de einddatum het leningsbedrag retour. Bedrijfseconomisch risico loopt de houder niet, tenzij de geldlener failliet gaat (wat bij overheden zelden voorkomt) en niet langer aan zijn rente- en aflossingsverplichtingen kan voldoen.

Wel fluctueert de koers van een obligatie door veranderingen in de lange rente op de kapitaalmarkt. Stijgt de rente, dan daalt een obligatie en andersom. De 9,25 procent 1990-2000 staatslening (zie het overzicht Staatsleningen) deed bij uitgifte 100 procent. Je betaalde toen 1.000 gulden voor 1.000 gulden lening, ontvangt in het jaar 2000 evenveel aan aflossing, en tussentijds 9,25 procent rente. Sinds 1990 halveerde de rente ruwweg en werd deze lening aantrekkelijker, door de rente van 9,25 procent. Daarom betaal je dezer dagen voor 1.000 gulden lening geen 1.000, maar 1.115 gulden, en straks krijg je 1.000 gulden terug. Deze obligatie is dus in acht jaar tijd 11,5 procent in waarde gestegen. Een bescheiden verbetering vergeleken bij de koersexplosie van veel aandelen.

In de financiële planning spelen aandelen en obligaties ieder een aparte rol, vanwege hun onderlinge verschillen. Aandelen komen het best tot hun recht als 'rijsmiddel' voor een vermogen en minder als bron van (dividend)inkomen, tenzij je iedere keer een deel van je beleggingen verkoopt. De tweede bewering geldt niet indien de aandelen ooit zijn gekocht op een gunstige koers: dan maak je nu een fiks dividendrendement. Wie Philips kocht op 17 gulden, en de verleiding van winstnemen weerstond, maakt nu 11 procent bij 2 gulden dividend.

Obligaties voldoen goed als risicoloze bron van een zeker inkomen, indien men de rit tot de aflossing uitzit. Wie nu Nederlandse obligaties koopt, komt niet veel verder dan circa 5 procent voor een staatslening van tien jaar. Zie het staatje Renteniveaus Kapitaalmarkt op de koerspagina. Als krachtig groeihormoon van een vermogen heb je niet zoveel aan obligaties.

Een echtpaar uit den Bosch maakt zich zorgen over de hoogte van het koerspeil op de beurs en overweegt daarom hun aandelen om te zetten in obligaties in afwachting van betere tijden, lees lagere koersen. Is dat verstandig? Nee, je zet groei-effecten om in inkomeneffecten. Wanneer de lange rente gaat stijgen, dalen de obligaties en wordt de oversteek terug naar aandelen onvoordeliger. Daalt de rente, dan gaan de obligaties omhoog. Wellicht is een flexibele spaarrekening beter. Gaat de korte rente stijgen, dan maak je daarop in ieder geval meer rente.

Eigenlijk vraagt het echtpaar tussen de regels door of ze winst moeten nemen op hun aandelen. Die vraag moeten zij zelf beantwoorden. Deze column geeft geen persoonlijke adviezen, maar belicht achtergronden en keerzijden, vergelijkt alternatieven, suggereert second opinions, wijst de weg, geeft meningen, analyseert, ontleedt en maakt berekeningen, vaak met de gewaardeerde, beknopte gegevens van bereidwillige briefschrijvers als uitgangspunt. De lezer moet echter zelf beslissen over z'n geldzaken.

Een andere lezer uit den Bosch stelt dat beleggen in aandelen via een levensverzekering (een beleggingsverzekering) niet beter is dan rechtstreeks beleggen. Hoe zit dat met de combinatie verzekering/obligaties, vraagt hij. De obligatierente en eventuele koersgroei worden binnen zo'n kapitaalverzekering niet belast, terwijl een particulier belasting betaalt over de rente. Hij staaft dit met een tijdschriftartikel. Dat is vast geschreven door een assurantiebemiddelaar, want er wordt geen rekening gehouden met kosten. En daar draait het nou net om.

Bovendien is het de verkeerde procedure, gezien vanuit de financiële planning. Je kiest eerst een doel, vervolgens een tijdstip, een gewenst bedrag en ergens verderop komt misschien die obligatie om de hoek kijken, als bron van inkomen. Een obligatieverzekering beperkt de juiste keuze, omdat die onder meer geen jaarinkomen oplevert, over minimaal vijftien jaar uitkeert en een beperkte groei biedt. Daar schiet je zelden iets mee op.

    • Adriaan Hiele