Populaire landen

Concurrentie, zo luidt het adagium van het neo-liberale tijdperk, drijft mensen, bedrijven en staten tot betere prestaties dan zij zonder mededingers zouden hebben geleverd. Hoe concurrerend mensen zijn, of willen zijn, wordt door de medemens in de regel afgelezen uit hun relatieve maatschappelijke succes. Het concurrentievermogen van bedrijven blijkt uit hun winstgroei, expansie en de moderne maat van alle dingen: de koers van hun aandelen.

Maar wat is het concurrentievermogen van een staat? Daar valt flink aan te rekenen. Vorige maand publiceerde het International Institute for Management Development (IMD) zijn jongste World Competitiveness Index, waarin de 46 belangrijkste landen zijn ondergebracht. Deze week volgde het World Economic Forum (WEF), bekend van de jaarlijkse bijeenkomst in Davos, met de Global Competitiveness Index. De organisaties hebben een gemeenschappelijk verleden. Het IMD verzorgde altijd de index voor het WEF, tot beide organisaties uit elkaar gingen. IMD nam zijn eigen index mee, en WEF maakte een nieuwe. Een teken des tijds: zelfs concurrentie-indices zijn in een concurrentiestrijd verwikkeld.

Eerst de resultaten: bij het IMD staan de Verenigde Staten op de eerste plek. Dit land is het meest concurrerend op de internationale markt en is dat volgens de telling al jaren. De VS worden gevolgd door Singapore en Hong Kong, die ook vorig jaar al op deze plek stonden. Dan volgt, gestegen van plaats zes naar plaats vier, Nederland. Finland, Noorwegen, Zwitserland, Denemarken Luxemburg staan op plek 5 tot en met 9. Pas dan komt na de VS het eerste grote land (Canada) op plaats tien, gevolgd door Ierland en het Verenigd Koninkrijk.

Bij het WEF staan Singapore en Hong Kong bovenaan, en komen de VS op plaats drie. Dan volgen het Verenigd Koninkrijk, Canada en Taiwan. Nederland klimt van plaats twaalf vorig jaar naar zeven. Daarna komen Zwitserland, Noorwegen, Luxemburg, Ierland en Japan, dat op de twaalfde plaats staat.

De overeenkomst tussen beide indices is een voorkeur voor kleine, open economieën en een afkeer van de grote continentaal-Europese landen als Duitsland en Frankrijk. Ook staan de angelsaksische landen, zoals de VS, het VK, Canada en Ierland, hoog genoteerd

Het verschil tussen beide indices is dat die bij het WEF van jaar op jaar een veel grotere verscheidenheid opleveren. Bij het IMD zakt Thailand van 1997 op 1998 met tien plaatsen naar positie 39 op de ranglijst. Zulke schommelingen zijn hier een uitzondering. Bij het WEF komen ze vaker voor. Zo zakt Slowakije hier met 13 plaatsen naar 48, en zakt Indonesië met 16 posities naar 31.

De metingen worden verricht door middel van statistisch materiaal en het wegen van regelgeveing en het overheidsbeleid. Bij het WEF weegt het oordeel van geënqueteerde topmanagers zeer zwaar: zij bepalen voor ongeveer de helft de score van de onderzochte landen.

Wat moet zo'n concurrentielijst opleveren? Als het even kan een blik op de toekomst. Het kan voor managers handig zijn om een globale indruk te krijgen van de landen waar zij in zouden willen investeren. Het WEF streeft ook een correlatie na van zijn ranglijst en de groei van het bruto binnenlands produkt per hoofd van de bevolking van de landen op die ranglijst. Dat veronderstelt een direct verband tussen cocurrentievermogen en groeiende welvaart, en kan zo een richtlijn zijn voor overheidsbeleid.

In werkelijkheid lukt dat vooral het WEF niet. De VS, het topland op de lijsten, heeft het grootste handelstekort ter wereld - toch nauwelijks een blijk van concurrentiekracht. De grote Europese reuzen hebben alle een overschot, maar prijken halverwege of zelfs (Italië) beneden in de lijsten. De voorspellende waarde, toch het bestaansrecht van de concurrentietelling blijkt vooral bij het WEF nihil. Dat is te zien aan de Azië-crisis. Maleisië, Thailand en Indonesië zijn dramatisch gedaald, maar ook andere bewegingen op de lijst geven voedsel aan het idee dat de lijst van het WEF vooral het resultaat is van perceptie.

Het oordeel van de ondervraagde topmanagers weegt zwaar. Nederland is in, in het internationale praatcircuit, en stijgt dan ook snel. Hetzelfde geldt voor Ierland. Het wonderkind Nieuw-Zeeland is uit, en daalt dan ook. Wie economisch lekker groeit, stijgt snel in de lijst. Wie in het slop raakt, valt. Zo is de conurrentielijst vooral een weerspiegeling van de conjunctuur in elk land. Op basis daarvan is te verwachten dat Nederland, dat goed presteert, maar straks conjunctureel wordt ingehaald door de rest van het continent, volgend jaar of het jaar daarop weer daalt op de lijst. Hetzelfde geldt voor het Verenigd Koninkrijk en wellicht ook Ierland. De lijst van het IMD ontkomt overigens ook niet helemaal aan de indruk dat prestaties uit het verleden gelden als toekomstvoorspeller.

Zijn, zoals bij het WEF, percepties van de concurrentiekracht een foute leidraad? Kan wel, hoeft niet. De perceptie dat een land het internationaal goed doet, kan leiden tot een hoger aanzien en meer buitenlandse investeringen waardoor de belofte inderdaad wordt waargemaakt. Elke jonge carrièremaker weet tenslotte intuïtief dat het worden van baas begint met het aannemen van het uiterlijk van baas. Wat je kan is in de rat race vaak minder belangrijk dan wat je superieuren denken dat je kunt. De keerzijde is dat als je tegenvalt, het gat erg diep is. Daar kunnen de carrièrelanden uit Azië inmiddels van meepraten.