Opleiding: geen; Het niveau van de Nederlandse strijdkrachten

Met de afschaffing van de dienstplicht valt het Neder- landse leger terug op de Beroeps Bepaalde Tijd. Laag opgeleide militairen die voor de centen en een diploma in dienst gaan. Ingewijden zien hun komst met lede ogen aan: 'Je weet niet of ze de uitleg ook begre- pen hebben.' Maar ze zijn brood- nodig. Vandaag presenteert de krijgsmacht zichzelf met een grootscheepse operatie in Den Haag.

Het is snikheet op het terrein van de Jan van Schaffelaerkazerne in Ermelo. Bij de achterafgelegen klimtoren oefent een groep zwetende militairen. Onder toezicht van hun sportinstructeur, sergeant eerste klas Bakker, beklimmen mannen en vrouwen in camouflagepakken het twintig meter hoge bouwwerk. Ze maken gebruik van een breekbaar ogende touwladder. Zwiepend aan een gespannen kabel of huppelend tegen de muur keren ze op de grond terug. Het ziet er spectaculair uit, “en er is moed voor nodig”, zegt Bakker. Maar iedereen is met een extra kabel beveiligd, voegt hij er meteen aan toe. “Een ongeluk is vrijwel uitgesloten.” Hij tuurt naar een blonde leerlinge die zichtbaar benauwd halverwege de ladder hangt. “Ga dóór!”

Inge Epskamp heeft de toren al beklommen, maar ze is nog niet per kabel naar beneden gesuisd. Die sensatie wil ze niet missen. “Ik ben nog niet gewéést”, gilt ze naar Bakker. Ze is voor “de spanning, het avontuur en de uitdaging” het leger ingegaan. Zes weken geleden meldde ze zich, net als al haar collega's bij de klimtoren, aan de poort van de Jan van Schaffelaerkazerne. Als BBT'er - Beroeps Bepaalde Tijd, die in de krijgsmacht de kans krijgen een diploma te halen. Ze tekende voor de gebruikelijke tweeëneenhalf jaar. “Ik wil werkervaring opdoen, het liefst bij de verbindingstroepen.” In vergelijking met de doorsnee-BBT'er is haar vooropleiding goed. Epskamp volgde “een cursusje informatica” en “programmeerde als freelancer moedercomputers bij IBM”. Na haar diensttijd wil ze “de wijde wereld in”. “Met een hier behaald diploma.”

De meeste BBT'ers maken deel uit van de landmacht: 12.200, onder wie 10.800 soldaten en korporaals, 1.000 onderofficieren en 400 officieren. Het grootste onderdeel van de strijdkrachten telt verder 11.700 zogenoemde Beroeps Onbepaalde Tijd (BOT'ers), van wie er 7.600 onderofficier zijn en 4.100 officier. Het burgerpersoneel bestaat uit 10.000 werknemers. De gemiddelde BBT'er heeft een LBO-opleiding. Hun imago liep na hun intrede schade op. Intern oogstten de 'avonturiers' kritiek van hun superieuren - zij zagen weinig heil in hun komst - ze verveelden zich en werden (in Seedorf) betrapt op het gebruik van drugs.

De Berlijnse Muur was gevallen, het Rode Gevaar bestond niet meer. Vijf jaar geleden kondigde de zogenoemde Prioriteitennota een ingrijpende herstructurering van Defensie aan. Schepen en vliegtuigen moesten worden verkocht en alle onderdelen van de krijgsmacht dienden het personeel drastisch te verminderen: marine en luchtmacht met een kwart, de landmacht met de helft. De besparingen moeten van 1993 tot 2002 bijna twintig miljard gulden opleveren - het jaarlijkse budget bedraagt thans 13,5 miljard, waarvan de helft de landmacht betreft. In 1996 werd de opkomstplicht opgeschort, zoals het officieel heette. Anders gezegd: de dienstplicht werd afgeschaft en er kwam een beroepsleger. Defensie had in het bijzonder behoefte aan BBT'ers: zij hebben in het algemeen de rol van Jan Soldaat - de vroegere dienstplichtige. Boven hen staan de BOT'ers, die vaak tot hun pensioen militair blijven.

In het begin stokte de werving van BBT'ers, “maar het gaat momenteel beter”, zegt generaal A. van der List in zijn Haagse werkkamer. Hij is sous-chef personeelszaken van de centrale dienst personeel en organisatie van de Koninklijke Landmacht. Het zogenoemde banencentrum van de landmacht voerde vorig jaar met 21.000 kandidaten gesprekken, weet hij. “Van die mensen kwamen er 10.000 bij ons selectiecentrum. Er zijn er 3.000 aangesteld. Op basis van eerlijkheid en reële informatie zijn zij ervan overtuigd dat de landmacht een goede werkgever is.” De medische keuring van die zestien- en zeventienjarigen is doorgaans geen probleem. Het psychologische onderzoek vormt vaker een struikelblok. Van der List: “Een belangrijke punt is bijvoorbeeld: is iemand geschikt om te worden uitgezonden?”

Linker handen

Nu het millennium nadert, is de Nederlandse militair een crisisbeheerser geworden. Hij of zij moet beschikbaar zijn voor vredesmissies in Cambodja, Cyprus en Bosnië. Is de doorgaans laaggeschoolde BBT'er geschikt voor die taak? Luitenant-kolonel buiten dienst drs. J. Schulten, van 1976 tot 1991 docent strategie en militaire geschiedenis aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda, gelooft van niet. “Laatst liep ik langs de banenwinkel van Defensie in de Bredase Veemarktstraat. 'Gevraagd: personeel voor de luchtmobiele brigade. Opleiding: geen'. Géén opleiding - en dan word je weggestuurd voor een gecompliceerde en subtiele missie. Dat is toch te gek”, zucht Schulten thuis in Oosterhout.

De historicus Schulten, auteur van het boek List of bedrog, omschrijft de BBT'ers als “mensen met twee linkerhanden”. “De docenten in de krijgsmacht worden opgezadeld met jongeren die in het leger komen voor de centen, de lol, de drank. Nee, het gaat me niet om hun oorbellen of tatoeages. Wanneer ik in mijn tijd als compagniescommandant geweren liet uitdelen, zetten die dienstplichtigen die zo uit en in elkaar. Nu gaan mensen die soms nauwelijks Nederlands verstaan met zo'n levensgevaarlijk wapen de schietbaan op. Van de werkvloer heb ik gehoord dat er vrijwilligers binnenkomen die vriendelijk en gehoorzaam zijn. Maar je weet niet of ze de uitleg ook begrepen hadden. Die geef je geen geweer in hun jatten.”

“Werken met BBT'ers is voor de instructeurs moeilijker dan werken met dienstplichtigen, dat is waar”, bekent overste R. Docter, commandant van het Schoolbataljon Centraal van de Jan van Schaffelaerkazerne. “Een klassikale opleiding is aan hen niet besteed. BBT'ers houden niet van schriftelijke toetsen, zijn niet in het leger gekomen om in een leslokaal te zitten. Velddienst vinden ze prachtig, maar een les over krijgstucht? Dat gaat moeizaam, je moet ze op hun niveau aanspreken. Dienstplichtigen waren gemiddeld MTS'ers, BBT'ers hebben doorgaans voorbereidend beroepsonderwijs of minder. De dienstplichtigen wilden uitvinden hoe een computer of een geweer precies in elkaar zit. BBT'ers willen alleen weten hoe ze die apparaten gebruiken.” Volgens de ervaren rot Docter, in 1974 was hij al pelotonscommandant, zijn de BBT'ers “gedrevener” dan de dienstplichtigen.

Die visie wordt gedeeld door overste K. Gijsbers, commandant van het elfde Pantsergenie-bataljon in Wezep. De motivatie van de BBT'ers is goed, verzekert hij. Gijsbers heeft twintig jaar ervaring, met dienstplichtigen en recent ook met BBT'ers. “Negentig procent van mijn dienstplichtigen was gemotiveerd, tien procent niet”, vertelt hij. “De helft van mijn tijd had ik nodig om die tien procent bij de les te houden. Ik moest spijbelaars thuis laten ophalen, anderssoortige lastposten tot de orde roepen. Dat kostte veel energie. BBT'ers zijn slim genoeg om de dingen te doen die we hun vragen. Dienstplichtigen waren vaak te slim om het werk te doen dat we hun opdroegen.”

De genie vormt het bouwbedrijf (bruggen, onderkomens, wegen) van de krijgsmacht. Het aanbod van BBT'ers is hier royaal: “Tachtig procent van de BBT'ers bij de genie verlengt zijn contract na tweeëneenhalf jaar, sommigen doen dat zelfs twee keer”, vertelt Gijsbers. De hier behaalde legerdiploma's - dat van timmerman, elektromonteur, metselaar - gelden óók voor de burgermaatschappij. Een compagnie van 125 man, onder wie negentig BBT'ers, is net terug uit Bosnië. Sinds 1992 heeft de genie daar voor zeven miljoen gulden verspijkerd, vervolgt Gijsbers.

Alle BBT'ers krijgen in een schoolbataljon een algemeen militaire opleiding (AMO) van twaalf weken. Het doel daarvan is: overleven op het gevechtsveld. Daarna worden ze klaargestoomd voor hun functie van chauffeur, kok, artillerist, genist, logistiek of administratief medewerker, et cetera. “Die functie-opleiding duurt twee weken tot drie maanden, afhankelijk van wat ze bij aankomst hebben te bieden”, legt overste Docter uit. Er zijn in Nederland vier schoolbataljons, maar de helft van alle BBT'ers begint in Ermelo.

Reïntegreren

De voorselectie van de BBT'ers vindt plaats in de banenwinkels van Defensie die, op veel plaatsen in het land, bij de werving zijn betrokken. Deskundigen van de krijgsmacht delen de BBT'ers daar in clusters in. Zo is er een cluster voor chauffeurs. “Wie chauffeur wil worden kan op een zestonner, een kleine vrachtwagen of in een personenauto terechtkomen”, vertelt Docter. “Het kan ook zijn dat hij of zij motor-ordonnans wordt. Ze mekkeren daar wel eens over. Tien procent van de BBT'ers stopt na een proeftijd van drie maanden. 'Dit is mijn baan niet', zeggen ze dan, of ze kunnen het fysiek niet aan. Onze gedragswetenschappers doen er onderzoek naar.”

“Het lijkt wel een horror-film. Je wilt de dienst uit maar je kunt niet.” Zo verzuchtte een BBT'er op een in maart door de Algemene Federatie van Militair Personeel (AFMP) georganiseerde bijeenkomst in de (Duitse) legerplaats Seedorf. Dagelijks bestuurder H. van Keulen van de AFMP kreeg daar een stroom van klachten over zich heen die hij in het blad OpLinie van de vakbond op een rij zette. Veel BBT'ers meenden dat ze bij de banenwinkels verkeerde informatie kregen. “Er wordt bij die winkels alleen maar verteld over het belastingvrije inkopen, maar over de reiskosten hoor je niks”, zei een van hen. Het stak de BBT'ers dat ze maar één keer per twee weken reiskosten krijgen, terwijl de meeste van hen elk weekeinde naar huis gaan, “wegens onze partner, ouders of de sociale contacten.” “Het wordt ook verre van aantrekkelijk gemaakt om hier te blijven in het weekeinde”, zei adjudant M. Klasens.

De BBT'ers in Seedorf mopperden voorts over de “slechte huisvesting” en de “strenge bezoekersregeling” in de kazerne. “Mijn vriendin smokkel ik in de kofferbak mee”, vertelde een BBT'er die anoniem wil blijven. Sommige collega's waren van oordeel dat ze te weinig aan studeren toekwamen. De faciliteiten daarvoor zijn in Seedorf goed, gaven ze toe, maar door het drukke oefenschema en de frequente uitzendingen is het nauwelijks mogelijk wekelijks de verplichte halve dag studieverlof op te nemen.

Overste Docter van de Jan van Schaffelaerkazerne: “In het algemeen geldt dat als het kader niet achter die schoolopleiding staat, er niets van de cursus terechtkomt. Dan studeert niemand. In het begin was er onder het kader weerstand tegen dat vrijgeven voor studie. Toen het eenmaal liep, werd ook het kader fanatiek.”

In de Ermelose kazerne geven zes leraren van erkende opleidingsinstituten de BBT'ers les in het Educatief Centrum. Elke BBT'er heeft de plicht zich te melden voor een intake-gesprek, zegt E. Kers, (burger)hoofd van het centrum. “Maar het werk heeft prioriteit nummer één. Het blijft altijd een studie naast het werk. De ondergrens is een halve dag per week studietijd, mits de dienst het toelaat. Er zijn commandanten die twee, drie dagen studie per week toestaan, maar dat verlof moet later worden ingehaald.”

Een meerderheid van de Tweede Kamer vindt dat de mogelijkheden voor BBT'ers om een civiele opleiding te volgen tijdens hun baan bij Defensie ruimer moeten worden, zodat ze na hun dienstverband meer perspectief hebben op een baan in de burgermaatschappij. Luitenant-kolonel b.d. Schulten sluit zich daar graag bij aan. Het geven van onderwijs aan BBT'ers zou iets essentieels moeten worden, legt hij uit. “Onderofficieren en officieren moeten tegelijk docent zijn. Als BBT'ers alleen op een vrije middag mogen studeren of 's avonds een cursusje doen, dan werkt dat voor geen stuiver.”

Schulten pleit voor het Amerikaanse model. Dat kent een royaal stelsel van studiebeurzen, gekoppeld aan het aantal jaren waarvoor een militair heeft getekend. Dat is een beproefd middel waarmee de Amerikaanse krijgsmacht sinds de Vietnam-oorlog haar status hoog houdt. 'Geteisem', criminelen en mislukkelingen blijven daardoor buiten het leger.

Generaal Van der List, 'werver' van BBT'ers bij de landmacht, zegt dat de nieuwe (tijdelijke) Nederlandse beroepssoldaten “zwaar tillen” aan de mogelijkheid zich te ontplooien. Wij merken dat geld niet het belangrijkste is voor het in dienst treden, vertelt hij. “Teamgeest, leiderschap, opleiding etcetera zijn belangrijker dan de centen. Overigens, onze salarissen zijn concurrerend. Onze beginnende soldaat krijgt zeker zo veel als iemand met een vergelijkbare functie op de civiele arbeidsmarkt, hoewel ook bij ons het stelsel van jeugdsalarissen bestaat. Maar er is een toelage voor een oefening, een toelage voor een uitzending naar Duitsland. Voor de vredesmissies zijn er riante extra vergoedingen.”

Wie in het leger wil studeren voor een diploma, moet discipline hebben, voegt Van der List daar aan toe. “De landmacht is niet in staat iemand any time, any moment te laten studeren. Maar ze kunnen een vak leren.” Defensie ontwikkelt activiteiten om BBT'ers na hun contract aan het werk te krijgen. Ze zoekt uit aan welke banen het bedrijfsleven behoefte heeft en probeert mensen in die richting op te leiden. Defensie heeft daarbij de hulp ingeroepen van de Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en Onderwijs (USZO), die haar hoofdkantoor in Heerlen heeft.

USZO heeft de taak arbeidsongeschikten, werklozen of mensen die met werkloosheid worden bedreigd te reïntegreren. Ruim een jaar geleden sloot de uitvoeringsinstelling een contract met Defensie, voor BBT'ers in de pilot Noord-Brabant en Limburg, dat een kwart van het totale gebied van de BBT'ers in Nederland omvat. “Defensie heeft de plicht BBT'ers uit die regio drie maanden voor hun ontslag uit het leger bij ons te melden”, vertelt H. Konings, deelprojectleider Volumebeleid Defensie van USZO. “We wijzen de soldaat op zijn rechten en plichten en kijken voor zo iemand rond op de arbeidsmarkt. Sinds april '97 hebben we 550 gevallen in behandeling genomen. Tachtig van hen meldden zich bij ons vóór ze ontslag namen bij de krijgsmacht. Ze kwamen vaak niet in een uitkering terecht. Van de overige 470 zijn er nu 384 volledig uit de uitkering en 32 gedeeltelijk aan het werk.” In heel Nederland zitten 900 ex-BBT'ers in het uitkeringsbestand. Van de in 1997 'afgezwaaide' BBT'ers had 67 procent binnen drie maanden een baan; drie procent was een jaar na vertrek nog zonder werk. Bij de marine (de 4.200 BBT'ers heten bij dit onderdeel BT'ers) liepen de laatste vijf jaar elk jaar gemiddeld 850 'vrijwilligers' weg. Ongeveer 230 van hen kwamen in een wachtgeldregeling.

De gemiddelde BBT'er heeft LBO - bijna de helft, aldus USZO. “Bij ons komt de zwakste categorie BBT'ers binnen”, zegt Konings. “Er zijn ook Mavo-mensen bij. In het algemeen zijn het jongeren, recht van lijf en leden, die in militaire dienst niet veel aan hun studie hebben toegevoegd.”

Maar USZO heeft ook te maken met BBT'ers die in het leger wél een vak hebben geleerd. Ze zijn opgeleid tot chauffeur of beveiligingsbeambte, of klaargestoomd om politie-agent te worden. “Er is wel een probleem”, meent Konings. “Een aantal behaalde diploma's is niet erkend in de burgermaatschappij. Neem het militaire rijbewijs. Wie daarmee chauffeur wil worden moet bijscholen: een EHBO-cursusje volgen of kennis krijgen van gevaarlijke stoffen. Ze hebben op de glibberige wegen van Bosnië gereden, maar ze mogen als burger niet zomaar de weg op in Nederland. De militaire diploma's zijn niet compleet genoeg.”

1.600 gulden bruto

Dat laatste zal moeten veranderen, wil Defensie succesrijk zijn bij de jacht op BBT'ers. Ze blijven hard nodig binnen de krijgsmacht, die haar personeelsbestand de laatste jaren zag krimpen tot 76.000 personen - in 1991 waren er in totaal 128.000 mensen bij de landmacht, luchtmacht, marine en marechaussee, inclusief dienstplichtigen. De landmacht (34.000 werknemers) telt gemiddeld 12.200 (komende en gaande) BBT'ers. Om aan die behoefte te voldoen, moet ze voortdurend werven. Ze doet dat onder meer met tv-spotjes en een tv-serie. Vandaag 'bezetten' de drie krijgsmachtonderdelen Den Haag voor Operatie Oranje Scheveningen. Tweeduizend militairen voeren een landing uit op de kust, verzorgen een airshow en houden een vlootschouw. Door dit soort publiciteitscampagnes verloopt de werving redelijk goed, hoewel er een tekort is aan “gevechts- en gevechtsondersteunende functies”, aldus generaal Van der List.

Defensiedeskundige R. de Wijk van het Instituut Clingendael: “Dat vechten is blijkbaar de minst aantrekkelijke job. Werven is over de hele linie moeilijk, zeker nu er volledige werkgelegenheid is. De honorering is kennelijk een probleem, maar er is ook een manco bij het werven: het duurt te lang voordat Defensie iemand met belangstelling aanneemt. Concurrerende bedrijven zijn sneller. Het is een kwestie van bureaucratie en van onervarenheid bij het aantrekken van zo'n grote hoeveelheid mensen. Ik denk dat dit probleem binnenkort voorbij is.”

Voor de banenwinkel van Defensie in Breda staat J. Graaumans (17). Hij heeft de Mavo niet afgemaakt, hij wil in dienst. “Ik wil best naar Cambodja of Bosnië, maar niet voor nog geen 1.600 gulden bruto per maand.” Als zich te weinig nieuwelingen aandienen, moet de 'ouwe hap' steeds vaker de vredesmissies uitvoeren. Zoals een groepje militairen van het elfde Pantsergenie-bataljon van overste Gijsbers, dat sinds 1991 vier keer werd uitgezonden. De uitzenddruk is hoog, zegt Gijsbers en met hem andere officieren. Steeds vaker wordt de krijgsmacht gevraagd en de top zegt geen nee.

Luitenant-kolonel b.d. Schulten zegt dat de Defensieleiding graag “alle taken wil blijven vervullen”. “Stoot je taken af, dan zegt het parlement iets van: 'waarom onderhouden we zo'n duur apparaat'? Dus stellen we mensen beschikbaar, ook al is het leger kleiner geworden. We willen internationaal meetellen, dat argument wordt steeds van stal gehaald. Maar is dat niet erg opgeklopt?” Bestuurder H. de Vries van de Koninklijke Nederlandse Vereniging van Reserve Officieren meent dat Defensie een eventueel gebrek aan mankracht voor uitzendingen gemakkelijk kan oplossen. Hij verwondert zich erover dat de landmacht nauwelijks gebruik maakt van “de vele reserve-officieren, die graag willen inspringen”. “Er zijn tal van artsen, chauffeurs, pr-mensen, ingenieurs en diplomaten, die hun burgerpak voor twee maanden willen ruilen voor een camouflagepak. Het zijn meestal oud-dienstplichtigen. Ze kunnen een waardevolle bijdrage leveren aan vredesmissies.”

Een groot aantal reserve-officieren zou best bereid zijn een deel van zijn vrije tijd aan training en opleiding te besteden. Ze zijn volgens De Vries graag beschikbaar voor oefeningen, “mits hun civiele werkgever tijdig wordt geïnformeerd”. “Voor die werkgevers kan zo'n 'uitstapje' van een werknemer naar het leger nut hebben. Het werkt verfrissend en zo'n personeelslid doet nieuwe ervaring op.” De Vries zegt dat de VS, Engeland, Denemarken en Noorwegen “veelvuldig en met veel succes” gebruik maken van reservisten. “Van de Deense IFOR-troepen in Bosnië was 45 procent reservist”, weet hij. “Bij de Noren was het percentage hoger dan 90. Nederland had in 1996 één actieve reserve-officier, het is het enige NAVO-land dat nauwelijks gebruik van hen maakt. Misschien denken onze beroepsmensen iets in de trant van: 'die reservisten nemen onze plaats in'. Ik begrijp het niet.”

“Alleen voor bepaalde taken roepen we reserve-officieren op”, zegt generaal Van der List. “Het zijn artsen, tolken, verplegers. De politiek wil dat we zo veel mogelijk van ons huidige bestand gebruik maken. Bovendien: hoeveel bazen willen hun mensen zes maanden kwijt? De landmacht wil dat huidige BOT'ers (Beroeps Onbepaalde Tijd) de kans moeten krijgen te worden uitgezonden. Zij moeten ook voorgaan, vind ik.”

Luitenant-kolonel b.d. Schulten, ten slotte, is van oordeel dat alleen uitstekend geschoold en geroutineerd personeel naar de vredesmissies mag. Hij omschrijft hen als “bewapende diplomaten en Derde-Wereldwerkers”. “De genie, geneeskundige troepen en de verbindingsdienst zouden ook meemoeten. Als je die stuurt, kun je er allerlei civiele diensten aan koppelen. Laat ze bruggen bouwen, pompen en riolering aanleggen. Maar tegelijkertijd moeten die mensen ook kunnen meppen als er een genocide plaatsvindt. Zo'n groep moet een schaap met vijf poten zijn.”

Voor de crisisbeheersing heb je geen luchtmobiele brigade nodig, meent Schulten. “Die gebruikte je in de tijd dat er nog een Russische vijand was. Defensie riep de luchtmobiele brigade destijds in het leven, als vorm van het moderne denken. Ze is beweeglijk, flexibel en had als kerngedachte de beveiliging van het eigen land en het NAVO-gebied. Ze is ingesteld op een grootschalig oorlogsgebeuren. Dat komt er niet meer, dat is voorgoed geschiedenis, maar Defensie heeft er nog wel het instrument voor. Defensie hanteert een schroevendraaier van een meter, terwijl ze een schroevendraaier van een horlogemaker nodig heeft. Met tanks, heli's en de artillerie hou je geen Hutu's en Tutsi's uit elkaar.”

    • Guido de Vries