NASCHOKKEN VAN EEN FUSIEGOLF; Inspectie waarschuwt voor kwaliteit van middelbaar beroepsonderwijs

Hoe groter de school, hoe beter de samenhang, was de gedachte in de politiek. Maar de onderwijsinspectie waarschuwt al jaren dat de fusies in het mbo tot chaos leiden.

'LEER DEZE READER maar uit je hoofd, de lessen van het vak recht en arbeid vervallen dit jaar', kreeg Maaike Delemarre uit klas 3d afgelopen februari te horen, een week voordat de lessen zouden beginnen. Ze zit op de MBO-opleiding Sociaal Pedagogisch Werk (SPW) op de Veghelse afdeling van De Leijgraaf, een Regionaal Opleidings Centrum (ROC) in Brabant. De scholieren hadden een probleem, want twee maanden later moesten ze examen doen in het vak dat voor velen een struikelblok vormt. Delemarre begon een handtekeningenactie.

In het middelbaar beroepsonderwijs gaan veel dingen niet zoals zou moeten, zo blijkt uit het Onderwijsverslag over het jaar 1997 van de onderwijsinspectie, dat vorige maand werd gepubliceerd. De inspectie concludeert dat scholen vaak minder dan het wettig verplichte aantal lessen geven en dat de noodzakelijke apparatuur op bijvoorbeeld MTS-opleidingen ontbreekt of ernstig is verouderd. Zelfs het niveau van de examens en de regelingen over het slagen en zakken verschillen soms van school tot school. De onderwijsinspectie, die in voorgaande jaren al haar zorg op veel van deze punten heeft uitgesproken, stelde dit jaar vast dat “er zich in de praktijk in de gehele periode nog geen feitelijk waarneembare verbeteringen hebben voorgedaan”. Het gaat om een grote onderwijssector. Vijftig procent van alle zestien- tot negentienjarigen, 600.000 jong-volwassenen, volgen een middelbare beroepsopleiding of een opleiding binnen het leerlingwezen aan een ROC.

Grootste boosdoeners zijn volgens de onderwijsinspectie de snelle schaalvergroting, het leerlingwezen en het volwassenenonderwijs, samen de zogeheten BVE-sector (Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie). De Wet Educatie en Beroepsonderwijs die in 1996 van kracht werd, vormde de basis van grote organisatorische en inhoudelijke veranderingen in het middelbaar beroepsonderwijs. Uit het Onderwijsverslag blijkt dat vooral de fusies en de grotere autonomie van scholen de afgelopen tijd zo veel aandacht opeisten dat de onderwijskwaliteit in gevaar is gekomen. Ook het ministerie van Onderwijs wijt de tekortkomingen aan de grote veranderingen van de afgelopen jaren en laat als reactie weten dat “er al veel is gebeurd, maar de zaken zijn nog niet op alle punten perfect”.

HANDTEKENINGEN

In Veghel kregen de leerlingen uiteindelijk toch hun lessen. Ze verzamelden ongeveer honderd handtekeningen en de school zwichtte voor het protest, aldus Delemarre. Afdelingsdirecteur Peter van den Hoogen zegt dat hij “in goed overleg met de studenten” heeft besloten het vak toch niet als zelfstudievak aan te bieden. “We zijn aan het experimenterenmet nieuwe onderwijsvormen, waarbij leerlingen meer zelfstandigheid krijgen, het leerhuis-model. Daarom leek het ons goed dit vak niet klassikaal aan te bieden. Toen de leerlingen dat wel wilden, was dat geen probleem.”

Te weinig lesuren is een algemeen probleem in het middelbaar beroepsonderwijs, constateert de onderwijsinspectie: 65 procent van de betrokken opleidingen zit onder het minimum van 850 'contacturen' per jaar. Scholieren verliezen dan formeel hun recht op studiefinanciering, want bij minder dan 850 lesuren geldt hun opleiding eigenlijk niet als voltijdsstudie.

Vrijwel alle scholieren in het middelbaar beroepsonderwijs volgen hun opleiding aan een ROC, een 'onderwijskolchoz' met tienduizenden leerlingen. Het fusieproces is zeer snel gegaan: de 483 MBO-scholen die in 1992 bestonden, waren in 1997 gefuseerd tot 65 scholen, waarvan 46 ROC's.

In veel gebieden buiten de Randstad zijn de ROC's de grootste werkgever in de regio. Het grootste is het ROC Amsterdam, met 35.000 leerlingen. De Regionale Opleidings Centra zijn groter dan de gemiddelde universiteit. Dit vergt een andere organisatorische structuur dan bij de vroegere MBO-opleidingen met een paar honderd leerlingen. Zo kregen de ROC's veel meer vrijheid bij de besteding van hun geld, maar moeten ze daarover wel elk jaar rapporteren bij het ministerie. Deze rapportage is nog onvoldoende, vindt de inspectieraad. De scholen krijgen geld van het ministerie van Onderwijs op basis van het 'lump-sumprincipe', dat wil zeggen dat de scholen een bedrag krijgen voor personeel en een bedrag voor materiële benodigdheden, zoals computers. Terwijl scholen vroeger het ministerie tot in detail moesten informeren over de lesroosters, de personeelsinzet en de eindexamenresultaten, zijn daar, aldus het rapport van de onderwijsinspectie, “geen adequate vormen van rapportage voor in de plaats gekomen”.

Leon Houtman, vertegenwoordiger van het middelbaar beroepsonderwijs in het Landelijk Actie Komitee Scholieren (LAKS), ziet hierbij nog een probleem: “Na de fusies bleven de ROC's met een overcapaciteit aan staf zitten van de afzonderlijke scholen. Al deze managers kunnen ze niet ontslaan, maar ze kosten de ROC's vreselijk veel geld, waardoor minder geld voor onderwijs overblijft.”

NIVEAUVERSCHILLEN

Ook over de examens kregen de scholen meer te zeggen en ook hier registreert de schoolinspectie problemen. Ze constateert dat “in veel van de opleidingen belangrijke delen van de eindtermen niet of op een te laag niveau werden getoetst”. Gemiddeld veertig procent van de door het ministerie opgestelde eindtermen komt niet terug in de examens. Sinds 1993 zijn de scholen zelf volledig verantwoordelijk voor de examens. Dit levert grote niveauverschillen op. “Dat kan natuurlijk niet”, zegt Annelou van Egmond, woordvoerster van de BVE-raad, het overkoepelend orgaan van de sector Beroeps en Volwasseneneducatie. “Het mag niet gebeuren dat je in Vlissingen zakt en met dezelfde prestaties in Groningen zou slagen.”

De examens zijn volgens de onderwijsinspectie vaak van een te laag niveau, soms zitten er zelfs fouten in of ontbreken hele stukken. Dat ervoer Chantal Gelton, die het afgelopen jaar maar liefst drie examenonderdelen had die niet klopten, of niet volledig waren. Het begon afgelopen februari, toen Gelton, die MEAO doet aan het ROC Zadkine in Rotterdam Zuid, een toets Informatica had. Niet alleen kreeg ze veel te weinig tijd voor de toets - de volgende groep kreeg meer tijd - er klopte ook nog eens niets van de getallen die de leerlingen moesten bewerken met het statistische programma Lotus. De hele klas raakte in de war en van de 25 leerlingen was Chantal de enige met een voldoende. De toets moest over. Nog dezelfde toetsperiode had ze het vak bedrijfsadministratie, waar vijf van de veertien vellen met opgaven ontbraken. Tijdens de toets moesten deze nog worden gekopieerd. Tijdens de volgende toetsperiode in april ging het weer mis met hetzelfde vak. Door fouten in de opgave klopte deze keer de balans niet die de scholieren moesten maken.

De grotere autonomie en de fusies waren niet de enige veranderingen die op problemen stuitten. De hele opbouw van het beroepsonderwijs veranderde, waardoor momenteel twee onderwijssystemen door elkaar lopen: Binnen het leerlingwezen en het middelbaar beroepsonderwijs konden leerlingen vóór 1996 examen doen op twee niveaus. Nu bestaan er vier examenniveaus, die overeenkomen met die elders in Europa. Het vijfde en hoogste niveau in het beroepsonderwijs vormt het Hoger Beroeps Onderwijs (HBO). Annelou van Egmond zegt dat het gedeeltelijk overgangsproblemen zijn. “In een klas zitten nu soms mensen die nog examen moeten doen in het oude systeem en mensen die examen doen in een van de vier niveaus. Leraren moeten al deze groepen tegelijk voorbereiden op verschillende examens. Dat levert soms problemen op.”

Complexer wordt het nog, doordat de scholen in toenemende mate particuliere opleidingen aanbieden, het zogeheten contract-onderwijs. De status en doorstroommogelijkheiden van de verschillende opleidingen zijn voor scholieren soms onduidelijk: zo deed Iris van den Bergh de opleiding tot schoonheidsspecialiste aan het ROC De Friesche Poort in Leeuwarden. Het eerste deel van haar examen had ze gehaald, toen ze besloot het laatste jaar van haar opleiding in deeltijd te gaan doen aan het Alpha College in Hoogeveen, een particuliere opleiding. Iris betaalde ruim 3.000 gulden om de opleiding aan het Alpha College te kunnen volgen: “Beide scholen zeiden dat de overstap geen probleem zou zijn.” Toch mocht ze afgelopen mei plotseling niet meedoen aan het examen, omdat haar vooropleiding niet werd erkend door de brancheorganisatie die het laatste examen afnam. Het afdelingshoofd van De Friesche Poort, Piet Dijkhuis, zegt dat hij haar vooraf heeft gewaarschuwd, maar Iris van den Bergh zegt dat ze 'dagenlang aan de telefoon heeft gehangen' voordat ze erachter kwam dat de opleiding die ze aan De Friesche Poort deed niet dezelfde status had als de opleiding die ze nu aan het Alpha College volgt. Van den Berg: “Het afdelingshoofd van mijn oude school bleef onduidelijk over de waarde van het deelexamen dat ik had afgelegd.” Uiteindelijk kreeg ze toch toegang tot het examen op het Alpha College, maar nu moet zij wachten tot de volgende examenronde.

EXTRA GELD

De BVE-raad erkent de problemen in het beroepsonderwijs en stelt dat naast rust in de sector ook veel extra geld nodig is voor verbetering van de onderwijskwaliteit. Van Egmond: “Het beroepsonderwijs is veel duurder geworden. Vroeger schafte je een werkbank aan, die ging 25 jaar mee. Nu gaat bijna alles met de computer: een boekhoudkundig programma bijvoorbeeld gaat hooguit vijf jaar mee, dan moet je weer een nieuwe kopen.” De BVE-raad stelt dat jaarlijks 100 miljoen gulden extra nodig zijn om de apparatuur en de opleidingen bij de tijd te houden. Daarnaast wil de raad een eenmalig bedrag van 350 miljoen om de achterstand weg te werken. Van Egmond: “Zonder dit geld komt de onderwijskwaliteit in gevaar en kunnen wij binnenkort niet meer voldoen aan de vraag naar voldoende gekwalificeerd personeel.”de hele klas raakte in de war en chantal was de enige met een voldoende

    • Welmoed Visser