Korte baan, snel gedaan; 'CHEMISCHE INDUSTRIE VERWAARLOOST LANGE TERMIJN'

HET GAAT de verkeerde kant op met het innovatieve vermogen van de Nederlandse chemische industrie. De internationale concurrentiepositie van bedrijven als AKZO-Nobel, DSM en Shell Chemie raakt hierdoor bedreigd. Oorzaak: onvoldoende strategisch lange termijn onderzoek.

Tot deze conclusie komt het Rotterdamse adviesbureau Arthur D. Little na een wereldwijde studie waarin onder andere de technologieinvesteringen van Nederlandse chemische ondernemingen zijn vergeleken met die van de chemische industrie wereldwijd. De uitkomst was dat tussen 1994 en 1998 de investeringen in research and development (R&D) als fractie van de omzet bij de onderzochte Nederlandse bedrijven afnamen van 4,5% tot 3,2%. Wereldwijd namen ze juist toe van 3,2% naar 3,7%. Bovendien, zo stelde Arthur D. Little vast, is het Nederlandse onderzoek meer gericht op de korte termijn: 62% tegenover wereldwijd 54%.

Wil een chemisch bedrijf overleven, dan zal het in staat moeten zijn tijdig nieuwe producten en processen te ontwikkelen om zich in de internationale concurrentieslag staande te houden. Het gaat dan niet om kleine verbeteringen die bestaande technologieën optimaliseren, maar om strategisch lange termijn onderzoek waarvan de verwachting bestaat dat het tezijnertijd tot doorbraken kan leiden die het bedrijf op voorsprong zetten. De chemie is als industrie lang niet uitontwikkeld: nieuwe generaties katalysatoren en polymeren leiden tot enorme veranderingen. Alleen aan het front van de technologieontwikkeling is een internationaal bedrijf veilig.

Arthur D. Little constateert dat er in Nederland een achterstand dreigt te ontstaan in strategische fundamentele kennis. Als verklaring voert het bureau aan dat de decentralisatie van R&D bij de grote Nederlandse ondernemingen verder is doorgevoerd dan in het buitenland. Kreeg vroeger de researchafdeling van een chemieconcern rechtstreeks van de bedrijfsleiding een zak met geld, begin jaren negentig zijn op corporate niveau de budgetten sterk gesnoeid en moeten de R&D-afdelingen opdrachten zien binnen te halen bij de verschillende Business Units binnen het bedrijf. Daar geldt de plicht van snelle pay off en is strategisch lange termijn onderzoek voor het management al gauw te duur en niet opportuun.

Bij de VNCI, de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie, reageert men “enigszins verbaasd” op de bevindingen van Arthur D. Little. “Het is een opmerkelijke conclusie”, zegt woordvoerder Y. Hoekstra. “In 1992 ging het slecht met de chemische industrie en was er een forse daling in onderzoeksuitgaven. Alhoewel het R&D-percentage ons zorgen baart, hebben we niet de indruk dat de Nederlandse inspanningen op dat gebied de laatste jaren gedaald zijn. Sterker, technologische topinstituten als het onlangs geopende Dutch Polymer Institute in Eindhoven moeten ze juist opschroeven. DSM heeft daar veel geld in gestoken. Technologische topinstituten leveren onderzoek op bestelling, garanderen continuïteit en vormen de match tussen wetenschap en industrie.”

Wel merkt Hoekstra regelmatig “gemurmel” om zich heen over de nadruk op de korte termijn. “Het fundamentele onderzoek komt in het gedrang. Maar dat is iets anders dan dat het R&D-budget zou verminderen. Waar de VNCI zich eerder zorgen over maakt is het geringe aantal vwo'ers dat scheikunde gaat studeren. Het aantal studenten is zo laag dat aan de vervangingsvraag niet kan worden voldaan. De kennisinfrastructuur in Nederland komt zo onder grote druk te staan.”

Bij Arthur D. Little vindt H. van den Hooff, die de studie coördineerde, dat “de slinger te ver is doorgeslagen richting Business Units”. Het aantal Nederlandse respondenten was dermate hoog dat op de conclusies weinig valt af te dingen, vindt hij. Van den Hooff: “Wil de Nederlandse chemische industrie zijn internationale concurrentiepositie handhaven, zullen de grote spelers op het hoogste niveau kritisch hun lange termijn onderzoeksportefeuille moeten evalueren.”

    • Dirk van Delft