Het pistool is onschuldig; Alledaags wapenbezit in Amerika

Vuurwapens horen bij de Amerikaanse cultuur als hamburgers en hot dogs. Je koopt er net zo makkelijk een ijskast als een geweer. En als een scholier in blinde woede zijn klas- genoten neerschiet, zoals afgelopen maand in Springfield, heet dat een incident. De bijna versteende discussie over gun control. 'En wie overleeft het dan? Degene die het beste kan schieten?'

Het is een warme zondagochtend in de groene heuvels van Virginia en de kerken gaan uit. In het oude centrum van het plaatsje Warrenton, waar je op straat de vogels kunt horen fluiten, staan de kerkgangers nog wat na te praten voor ze weer in hun auto's stappen. In de buitenwijken beginnen langzaamaan de winkelcentra vol te stromen.

Ook bij Clark Brothers is het al druk. De ruim gesorteerde vuurwapenwinkel, bekend in de wijde omtrek, ligt wat apart aan de doorgangsweg Route 29. Een grote bruine beer staat op het platte dak, zijn muil vervaarlijk opengesperd, de bruine verf op zijn poten wat verweerd. Van achter het lage gebouwtje klinken de droge knallen van een schietbaan.

Binnen heerst de vertrouwelijkheid van een buurtwinkel in ijzerwaren. Veel klanten zijn oude bekenden, sommigen komen alleen om advies. Een vader met twee zoontjes staat rond te neuzen tussen de honderden uitgestalde geweren en pistolen, nieuw en tweedehands. Een man in korte broek test het vizier van een jachtgeweer, de loop gericht op een plek achter de toonbank waar even niemand staat. Een ander bestudeert een vitrine vol pistolen en revolvers.

Een jonge vrouw dwaalt tussen de schappen met munitie en de manshoge glimmende kluizen (vanaf 1.153 dollar) die speciaal voor het opbergen van vuurwapens zijn gemaakt. Haar naam is Joey Triggs. Ze is met haar man naar Clarks Brothers gekomen om zich te oriënteren op de aanschaf van een pistool. “Hij heeft al een geweer. Maar omdat we in een nogal slechte buurt wonen, is het misschien beter als ik ook een wapen heb”, zegt ze. Voor de risico's van een vuurwapen in huis schrikt ze niet terug. “We hebben een kluis, dus niemand kan erbij. En ik zal een cursus volgen om te leren hoe ik er veilig mee moet omgaan.”

Vuurwapens horen net zo bij de Amerikaanse cultuur, zegt men wel, als hamburgers en hot dogs. Begin over vuurwapens en iedere Amerikaan - hoe hij ook over het onderwerp denkt - blijkt er een verhaal over te hebben. De een vertelt gloedvol hoe zijn vader hem als twaalfjarige inwijdde in het wapengebruik. De ander komt met ijzingwekkende verhalen over ongelukken of bijna-ongelukken.

Guns R Us, is de bondige formulering van Helen Strahinich, auteur van het schoolse maar informatieve boekje Guns in America. Zo'n 65 miljoen Amerikanen bezitten een of meer pistolen of geweren - op een totale bevolking van 260 miljoen. Naar schatting zijn er tussen de 200 en 240 miljoen vuurwapens in particulier bezit.

De een heeft een vuurwapen om te jagen, de ander om mee te schieten op de schietbaan. Weer een ander ziet er alleen een verzamelobject in, danwel een middel om zich te beschermen tegen misdadigers, thuis of op straat. En dan hebben we het nog niet eens over het criminele gebruik. Jaarlijks worden meer dan 35.000 Amerikanen door vuurwapens gedood - bij moorden, zelfmoorden en ongelukken. In geen ander geïndustrialiseerd land is dat aantal per hoofd van de bevolking zo hoog. In veel gevallen zijn de slachtoffers jongeren of jonge volwassenen.

De traditie die de Amerikanen met hun vuurwapens verbindt, is zo oud als het land zelf. Amerika is geboren met het geweer in de hand. De kolonisten, de strijders voor de onafhankelijkheid, de pioniers in het Westen, ze hadden er geen van allen zonder gekund. De beroemde Kentucky rifle speelde een hoofdrol in de American Revolution, de Colt .45 revolver in de Burgeroorlog en het Winchester-geweer was 'the gun that won the West'. Een vuurwapen was voor generaties arme Amerikanen hun meeste waardevolle bezit, iets wat eten op tafel bracht, bescherming bood tegen vijandige stammen en wat ze ook nog konden doorgeven aan het nageslacht. Het was een bron van trots, van moed en niet te vergeten van talloze verhalen. 'When shoes and clothes and food, when even hope is gone, we'll have the rifle', schrijft John Steinbeck in The Grapes of Wrath.

Voor veel Amerikanen vormen God, guns and guts - God, geweren en lef - nog altijd de kern van wat hun land groot heeft gemaakt. Als symbool van vrijheid, onafhankelijkheid en een strijdlustig individualisme heeft het vuurwapen een ereplaats in de Amerikaanse geschiedenis. Alle rampspoed die met geweren en pistolen in diezelfde geschiedenis is aangericht, doet daar niets aan af. Want guns don't kill, people do - zoals een veelgehoorde leuze luidt van de tegenstanders van regulering van het vuurwapenbezit.

Uithuilende scholieren

Ook de recente reeks bloedige schietpartijen op scholen, aangericht door jongens van elf jaar en ouder, heeft niet tot een grote omslag in het denken over vuurwapens geleid. Keer op keer bleken tieners met boze bedoelingen maar al te gemakkelijk aan wapens te kunnen komen, met gruwelijke gevolgen. In de publiciteitsgolf die de drama's losmaakten werd de ongeremde Amerikaanse wapencultuur soms wel als mogelijke oorzaak genoemd, maar de schuld werd toch vooral geschoven op het algemene verval van normen en waarden in de maatschappij, op de psychologische problemen van opgroeiende jongens en natuurlijk op het alomtegenwoordige geweld op de televisie.

Steeds weer keerden de afgelopen maanden in het avondnieuws de macabere beelden terug van kleine kinderen met grote wapens, ambulances op schoolpleinen, bij elkaar uithuilende scholieren en begrafenissen van leerlingen en leraren. In oktober schoot een jongen van zestien in Mississippi zijn moeder en twee klasgenoten dood. In december nam een veertienjarig jochie in Kentucky tijdens een gebedsbijeenkomst een groep scholieren onder vuur, van wie er drie om het leven kwamen. In maart ontvreemdden twee vrienden van elf en dertien in Jonesboro, in de staat Arkansas, een klein arsenaal aan zware vuurwapens van ouders en grootouders, waarmee ze in een paar minuten tijd op hun school een waar bloedbad aanrichtten: vijf doden en negen gewonden.

En afgelopen maand werd een school in Springfield, in Oregon, opgeschrikt toen een vijftienjarige jongen, gewapend met een semi-automatisch geweer en twee pistolen, in de kantine om zich heen begon te schieten: twee doden, achttien gewonden. Later bleek nog dat de jongen thuis eerst zijn beide ouders had doodgeschoten. Een dag eerder was hij van school gestuurd omdat hij in zijn kastje een gestolen vuurwapen bleek te hebben. En hij was boos op zijn vader, omdat die hem zijn geweer had afgenomen.

“Dat soort incidenten geven vuurwapens een slechte naam”, zegt Jeff, die sinds een paar maanden als verkoper bij Clark Brothers werkt. Ten minste een van de slachtoffers van de schietpartij in Springfield is het met hem eens. Een zeventienjarige jongen die er ondanks een schot in zijn borst in slaagde om de wilde schutter tegen de grond te werken en in bedwang te houden, waarschuwde de pers na het bloedbad niet te denken dat de grote beschikbaarheid van vuurwapens in het land ook maar iets met dit drama te maken heeft. Dit was een incidenteel geval van een ontspoorde jongen, meer niet, zei hij. En zijn ouders, leden van de National Rifle Association (NRA), de belangrijkste organisatie van de vuurwapenlobby, waren het daar van harte mee eens.

Toen Byrl Phillips-Taylor dat hoorde, dacht ze: Die mensen moeten een klap in hun gezicht krijgen. Ze zegt het op zachte toon, met een niet begrijpende blik haar ogen. Byrl Phillips heeft een missie. Ze wil haar landgenoten de ogen openen. Sinds haar zeventienjarige zoon Scott op een warme zomerdag in 1989 door een klasgenoot met een AK-47 machinegeweer werd doodgeschoten, staat ze op de bres voor strengere regulering van vuurwapens.

“Vroeger stond ik er nooit bij stil dat vuurwapens voor iedereen een gevaar kunnen opleveren”, vertelt Phillips in haar comfortabele huis in de bosrijke omgeving van Charles City, aan de brede James-river in Virginia. “Ik was zo iemand die denkt: dat soort dingen overkomt alleen anderen.” Nu houdt ze spreekbeurten op scholen om kinderen de romantiek van vuurwapens uit hun hoofd te praten. “Ik neem altijd een foto van Scott mee”, zegt ze, wijzend op een portret van een stevige, blonde jongen met een open gezicht. “Ik vertel hun dat Scott een goede jongen was, en dat die andere jongen hem om een onbenulligheid wilde afstraffen. Ik vertel hoe Scott zes keer geraakt werd, het eerste schot in zijn rug en het laatste in zijn hoofd, en hoe hij werd achtergelaten in het bos. Ik vertel dat de dood heel reëel is, en definitief. En ik vertel ze alle smerige en bloederige details.

“De dader was een keurige jongen met kort haar, die bij de padvinderij was geweest, niet rookte en geen drugs gebruikte. Maar bij hem thuis hadden ze wel altijd veel wapens. Hij had zijn AK-47, bleek naderhand, al eens mee naar school genomen. Hij schepte op dat hij een leraar en Scott zou vermoorden, maar niemand nam hem serieus. Als hij geen geweer had gehad maar een mes, dan had Scott nog een kans gehad.”

Phillips, die van beroep makelaar is, reist regelmatig naar Washington om te lobbyen voor beperking van het wapenbezit. Ze getuigde voor het Congres over president Clintons verbod op bepaalde types militaire wapens. En ze was, zoals enkele ingelijste foto's op de piano laten zien, twee keer in het Witte Huis te gast bij de plechtige aankondiging van maatregelen die de verspreiding van vuurwapens moeten intomen.

Gestoorde figuur

Vrouwen spelen een belangrijke rol in de politieke pressiegroepen die de wapencultuur aan banden willen leggen. In veel gevallen zijn het, net als Byrl Phillips, vrouwen die gedreven worden door tragische ervaringen met vuurwapens in hun eigen leven. Een van de drijvende krachten achter de zogeheten Brady-wet bijvoorbeeld, die in ruim twintig staten een wachttijd van vijf werkdagen verplicht stelt voor de aanschaf van handvuurwapens, is Sarah Brady. Ze is de vrouw van Reagans perswoordvoerder James Brady, die in 1981 zwaar gewond raakte bij de moordaanslag op Reagan.

En het Congreslid dat deze maand een wetsvoorstel zal indienen om het voor kinderen moeilijker te maken om wapens te krijgen, is Carolyn McCarthy. Haar man kwam in 1993 om het leven, en haar zoon raakte zwaargewond, toen een gestoorde figuur aan boord van een trein op Long Island in het wilde weg begon te schieten. McCarthy, een verpleegster die nooit politiek actief was geweest, begon zich na het zogenoemde Long Island Railroad Massacre in te zetten voor de strijd tegen het wapenbezit. Ze kwam er achter dat haar Republikeinse Congreslid er geen werk van wilde maken en besloot zich daarop zèlf verkiesbaar te stellen voor zijn zetel in het Huis van Afgevaardigden, die ze in 1996 won.

Deze onvermoeibare activisten hebben de afgelopen jaren een aantal bescheiden, maar toch opmerkelijke overwinningen geboekt op de vuurwapenlobby, aangevoerd door de NRA. Lang gold die organisatie als de machtigste lobby in Washington, die Congresleden met stemadviezen en royale campagnebijdragen kon maken of breken. Maar met een dalend ledental (nog altijd zo'n 2,8 miljoen) en een afbrokkelend imago, kost het de NRA moeite om haar oude invloed te evenaren. De organisatie heeft niet kunnen verhinderen dat Clinton politieke steun kreeg voor de Brady-wet, voor het verbod op militaire strijdwapens en voor een invoerstop van bepaalde zware machinegeweren.

Het recht om een vuurwapen te bezitten is voor veel Amerikanen bijna heilig, en in elk geval geworteld in de grondwet. In het Tweede Amendement bij de Amerikaanse grondwet staat: “Omdat een goed-georganiseerde militie noodzakelijk is voor de veiligheid van een vrije staat, zal geen inbreuk worden gemaakt op het recht van de mensen om wapens te bezitten en te dragen.” Volgens Charlton Heston, de Hollywood-acteur die ooit Mozes speelde in de Tien Geboden maar die nu vice-voorzitter is van de NRA, is the right to bear arms zelfs belangrijker dan alle andere grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting of de vrijheid van godsdienst. Want zonder wapens zouden die andere rechten niet te verdedigen zijn.

Alle beperkende maatregelen voor wapenbezitters zijn slechts feel good legislation, stelt de NRA, wetgeving die louter bedoeld is om de kiezer een vals gevoel van veiligheid te geven. De eerzame burger wordt ermee beroofd van zijn grondwettelijke vrijheden en van de mogelijkheid om zichzelf en zijn gezin te verdedigen, terwijl echte misdadigers via een achterdeur toch altijd wel aan wapens kunnen komen.

De activisten die voor een beperking van het wapenbezit pleiten, wijzen eveneens op het Tweede Amendement, maar dan vooral op de eerste helft van de volzin. Daarin wordt het recht om wapens te dragen gebaseerd op de noodzaak van 'een goed georganiseerde militie', een formulering die duidelijk stamt uit de tijd kort na de onafhankelijkheidsstrijd. Zonder de milities was de Engelse kolonisator, die vergeefs had geprobeerd deze groepen gewapende burgers te ontwapenen, immers nooit verdreven. Het Tweede Amendement zou alleen bedoeld zijn, stellen de tegenstanders van de NRA, om de milities van de deelstaten na de onafhankelijkheid te beschermen tegen ontwapening door de federale overheid. En het zou dus niet slaan op individueel wapenbezit.

Het debat over gun control beperkt zich niet tot constitutionele haarkloverij. Beide kampen zwaaien ook met statistieken om hun gelijk te halen. Voorstanders van strengere wetten wijzen erop dat het aantal doden door vuurwapens in de VS veel hoger ligt dan in landen waar vuurwapen bezit niet legaal is. Het mag waar zijn dat het mènsen zijn die doden, en niet vuurwapens, stellen zij, maar vuurwapens maken het wel een stuk makkelijker om een incident op een dodelijke afloop te laten uitdraaien. Vooral als ze zo makkelijk verkrijgbaar zijn als in de VS. En vooral als ze zo voor het grijpen liggen als in menig Amerikaans huishouden. Volgens het ministerie van Justitie wordt een derde van alle handvuurwapens geladen en niet weggesloten bewaard.

Aan banden

Tegenstanders van gun control bestrijden dat de gewelddadigheid van de Amerikaanse maatschappij een gevolg is van het grote aantal vuurwapens dat in omloop is. Veel Amerikanen, en niet alleen de NRA en haar leden, zijn er van overtuigd dat het land juist veiliger wordt als méér mensen zich bewapenen. Vanuit die gedachte staan steeds meer deelstaten toe (inmiddels 31 van de vijftig) dat men zijn vuurwapen niet thuis hoeft te bewaren, maar ook op straat of in de auto met zich mee kan dragen (zij het niet zichtbaar).

Afschrikking en defensief gebruik van vuurwapens, zo luidt de redenering, kan een belangrijke rol spelen bij het terugdringen van de criminaliteit. Als in 1993 een van de passagiers aan boord van die fatale trein op Long Island bijvoorbeeld een pistool bij zich had gedragen, dan had de moordenaar niet zolang ongestoord zijn gang kunnen gaan, en was hij waarschijnlijk veel eerder uitgeschakeld.

Deze redenering wordt verdedigd, en met veel statistisch materiaal onderbouwd, door John Lott, een onderzoeker uit Chicago die onlangs een boek publiceerde met de veelzeggende titel More Guns, Less Crime. Lott wijst er op dat in de Verenigde Staten bijvoorbeeld veel minder wordt ingebroken in huizen waarvan de bewoners thuis zijn, dan in Canada en Groot-Brittannië, waar het wapenbezit streng aan banden is gelegd. Amerikaanse dieven, schrijft Lott, kijken wel uit, ze zijn veel te bang om neergeschoten te worden.

Als meer burgers zich bewapenen, stelt hij, worden meer misdadigers afgeschrikt. In regio's waar het (niet zichtbaar) dragen van een handwapen wordt toegestaan, dalen de misdaadcijfers snel met enkele procenten. Veel taxichauffeurs en andere kleine middenstanders hebben voor zichzelf allang de conclusie getrokken dat het dragen van een wapen effectief is. En naarmate algemener bekend wordt dat taxichauffeurs wapens dragen, aldus Lott, profiteren ook de chauffeurs die onbewapend zijn van het afschrikkingseffect.

Volgens Gary Kleck, een criminoloog uit Florida, verdedigen jaarlijks 2,5 miljoen Amerikanen zich met een vuurwapen. Kleck stelt dat handvuurwapens veel vaker worden gebruikt door slachtoffers die een misdaad proberen af te slaan, dan door misdadigers. Alleen de media zouden voor dat opmerkelijke gegeven geen belangstelling hebben, en zich liever richten op uitzonderlijke maar sensationele schietpartijen door jonge kinderen.

Het probleem met de positie van Lott en Kleck, en met het hele debat over vuurwapens, is dat er onder deskundigen een grote onenigheid bestaat over de betrouwbaarheid van de statistieken. De hele discussie heeft daardoor vaak meer het karakter van een duel tussen versteende overtuigingen, dan een uitwisseling van rationele argumenten die mensen op andere gedachten kunnen brengen.

De Amerikaanse wapenindustrie, die jaarlijks zo'n drie miljoen vuurwapens produceert, kampt met het probleem dat haar traditionele markt (blanke mannen, vooral in het zuiden van het land) langzamerhand verzadigd begint te raken. Maar in andere, nieuwe doelgroepen groeit het wapenbezit. Vooral vrouwen, en met name Republikeinse vrouwen in landelijke gebieden, gaan er steeds meer toe over een vuurwapen aan te schaffen.

De NRA, waarvan mannen 85 procent van het ledenbestand uitmaken, identificeert zich graag met die nieuwe doelgroep. De vrouwen helpen de organisatie in haar strijd tegen de automatische associatie in de media van vuurwapens met misdadigers. In plaats daarvan, hoopt de NRA, zal men vuurwapens meer gaan zien als een effectief verdedigingsmiddel van slachtoffers en potentiële slachtoffers. Drie van de vier vrouwen wordt ééns in haar leven slachtoffer van een misdaad, schreef Tanya Metaksa, de woordvoerder van de NRA, onlangs. Zover laat de nieuwe feministe het niet komen, luidt haar boodschap: de hedendaagse, zelfbewuste vrouw bewapent zich.

President Clinton heeft het aangedurfd om het tegen de machtige NRA op te nemen, waarbij een grote rol speelde dat hij gesteund werd door veel politie-organisaties die in de bijna onbelemmerde verspreiding van vuurwapens door het land een groot gevaar zien. Maar de stappen die hij heeft gezet voor regulering van het wapenbezit, zijn nog altijd bescheiden. En of ze enig effect hebben is de vraag.

Witgoed

Ondanks de bestaande regels voor het bezit van vuurwapens (in totaal zijn er ruim 20.000 landelijke en regionale wetten en bepalingen die vuurwapens reguleren), is het voor de meeste Amerikanen nog altijd bijna even makkelijk om bij een erkende wapenhandel een vuurwapen te kopen, als bij een winkel voor witgoed een ijskast. Maar de regels verschillen van deelstaat tot deelstaat. In vijf staten (waaronder Californië en Michigan) moet men een proeve van bekwaamheid afleggen om een wapenvergunning te krijgen. Een inwoner van Virginia kan bij Clarks Brothers voor een paar honderd dollar een revolver kopen, en meestal hoeft hij niet langer dan een half uur te wachten tot de winkelier per computer bij de politie is nagegaan of hij een strafblad heeft. Op grote en kleine gun shows, waarvan er jaarlijks door het hele land zo'n 2.000 worden gehouden, zijn bovendien allerlei zware wapens te krijgen die men in de reguliere handel niet kan vinden.

Clinton is een veel te bedreven politicus om de doorsnee-jager of sportschutter tegen zich in het harnas te jagen. En ook de bezorgde burger die have en goed met een pistool of geweer wil beschermen, legt hij weinig in de weg. Nooit heeft Clinton er voor gepleit om het bezit van alle vuurwapens te verbieden.

“Hij heeft kleine stapjes gezet”, zegt Byrl Phillips. “Het is nog veel te weinig, maar er is tenminste vooruitgang. Er zijn nog altijd zoveel Congresleden die naar het pijpen van de NRA dansen, dat ingrijpender maatregelen voorlopig niet haalbaar zijn.”

Het ergste, zegt Lauren May, een vrouw die al vele jaren verkoopster is bij Clark Brothers, is dat al die maatregelen om het wapenbezit te reguleren geen enkel effect hebben op de criminaliteit. “Daar kan je alleen iets aan doen met morele normen, en die kondig je niet af bij wet. Een vuurwapen kan een held van je maken of een moordenaar, het hangt van jezelf af, niet van het pistool.

“Wat me zorgen baart bij kinderen, is dat vuurwapens geen deel meer uitmaken van hun leven. Ze zien ze alleen nog in een sensationele context, zoals op de televisie, beng, beng, beng en dat is het. En zoals alles wat verboden is, gaat ook daar een aantrekkingskracht vanuit. Maar ze maken niet meer mee hoe een hert wordt gevild, hoe bloederig dat is en hoe definitief. Daar worden ze niet meer in opgevoed. Al het geweld dat we nu zien heeft meer te maken met de problemen in onze gezinnen, dan met vuurwapens en de vraag of die voorzien worden van sloten of opgeborgen worden in kluizen.”

Byrl Phillips heeft eigenlijk genoeg van het hele debat. “Met statistieken en slimme argumenten kun je alles bewijzen”, zegt ze. “Ligt de oplossing in nog meer wapens? Aan mensen die dat betogen, vraag ik: Had mijn zoon zich soms ook moeten bewapenen? Is dat het antwoord? En wie overleeft dan? Degene die het beste kan schieten? Dat is toch niet de maatschappij die we willen. Ik vertel gewoon het verhaal van Scott. En niemand kan ontkennen dat hij nog geleefd had als die andere jongen geen geweer had gehad.”

Sinds ze actie voert voor gun control heeft Phillips veel vijanden gemaakt in Virginia, waar vuurwapens een grote populariteit genieten. Onder collega's, buurtgenoten, politici en anonieme bellers. “Ik heb het moeilijk met mijn land”, zegt ze, terwijl ze uitkijkt over de traag stromende James-rivier. Niet ver van haar huis ligt Jamestown, waar zo'n vier eeuwen geleden de eerste kolonisten aan land gingen, gewapend met hun musketten. “Ik hou van mijn land. Maar we steken de vlag niet meer uit.”

    • Juurd Eijsvoogel