Forza Britannic; 230 JAAR OUDE ENCYCLOPEDIE DUIKT IN CYBERSPACE

Cyberprofeten hebben ongelijk. Informatie in elektronische vorm zit nog veel meer vast aan materie dan letters op papier. Zegt Alex Soojung-Kim Pang, adjunct-hoofdredacteur van de Encyclopaedia Britannica.

VERSCHIJNEN ER straks dansende dinosaurussen in de Encyclopaedia Britannica? Nee hoor, zegt adjunct-hoofdredacteur Alex Soojung-Kim Pang. Hij zit aan de lunch in het Art Institute of Chicago. “Zonde van al dat werk. Zo'n swingende sauriër gaat snel vervelen en na twee jaar zijn de animaties hopeloos verouderd.” Het sjieke museumrestaurant ligt aan de van wolkenkrabbers vergeven South Michigan Avenue, schuin tegenover het Britannica Centre. Buiten schittert Lake Michigan in de zon.

Serieuze informatie, dat is het wezen van Britannica. “Als we bijvoorbeeld de geschiedenis van het Romeinse Rijk zouden gaan vertellen via een of ander fictief karakter, ga ik een andere baan zoeken.” Pang heeft zich vorig jaar zwaar ingespannen voor de timelines in de nieuwe Multimedia-editie van de Britannica: een parallel overzicht van negen historische deelterreinen - van religie tot vrouwengeschiedenis - dat óók als toegang dient tot de rest van de encyclopedie. Ook wil Pang graag originele teksten als illustratie: “Literatuur, maar ook de tekst van het laatste hoofdstuk van Darwins On the Origin of Species. Waarom niet? En natuurlijk weergaves van belangrijke fysische processen. Of een rondleiding door een gebouw. Het cognitieve gewicht van tekst, dat nu nog altijd 99 procent is, zal verschuiven, naar misschien 90 procent.”

De laatste twee jaar is er veel veranderd bij de 230 jaar oude Encyclopaedia Britannica, de beroemdste encyclopedie ter wereld (die al vanaf 1901 in Amerikaanse handen is en sinds 1941 in Chicago is gevestigd). Met het grote commerciële succes van de Britannica Multimedia Edition en Britannica Online is de Britannica in één klap toegetreden tot de virtuele wereld van cyberspace en hypertext. De wetenschapshistoricus Pang - gepromoveerd op Engelse zonsverduisteringsexpedities in de negentiende eeuw - is een van de symbolen van die verandering. Twee jaar geleden verhuisde hij van de hippe academische wereld in het Californische Berkeley naar Chicago, the windy city, waar hij verantwoordelijk werd voor de altijd voortgaande inhoudelijke herziening van de encyclopedie én zeer actief in de omzetting naar multimedia-formaat. Een van de voorwaarden voor zijn komst was een eigen homepage, een novum in de enigszins besloten Britannicawereld. En in een koffie-apparaat op zijn uitpuilende kantoorkamer zet hij Californische Peets-koffie. “Chicago-koffie is niet te drinken.”

“Van tekstredacteuren zijn we producers geworden”, constateert Pang vanachter zijn met papier overladen bureau op de derde verdieping van het Britannica Centre. Uit een cd-speler komt popmuziek, later een cello-suite van Bach. “Vroeger was het systeem een lopende band”, legt hij uit. De teksten marcheerden gestaag van medewerkers naar de redactie, dan naar de drukvoorbereiding, de opmaak, en zo verder, tot het bij de drukker kwam.“Als je met een tekst klaar was, verdween die van je bureau en pas veel later zag je hem weer eens terug. Voor alles wat je toevoegde, moest elders iets geschrapt worden.” De redacteuren waren in essentie generalisten: de ene keer kregen ze een bijdrage over een Franse koning onder ogen, de andere keer een wiskundig stuk.

“Maar nu is de beschikbare ruimte opeens geen probleem meer. En we moeten juist specialisten zijn, want door de geavanceerde zoekmogelijkheden zijn actualiteit en consistentie veel belangrijker geworden. Vroeger merkte haast niemand wanneer de afstand naar Alpha Centauri de ene keer 4,3 en dan weer 4,4 lichtjaar was. Maar door het wonder van de hyperlink valt dat nu onmiddellijk op. En van Britannica Online verwachten de gebruikers aanzienlijk meer actualiteit dan van een boek. Op snel veranderende terreinen hebben we dus veel intensiever contact met de auteurs”, aldus Pang. “Het oude afstandelijke advisor-systeem gaat volledig op de helling. We maken waarschijnlijk een breed samengestelde kerngroep van 25 goed geïnformeerde geleerden die veel nauwer met de redactie zal worden verbonden.”

Maar dat informatie door de elektronische revolutie zou worden bevrijd van zijn kluisters is onzin, vindt de adjunct-hoofdredacteur. “Vrij ronddansende elektronen bestaan niet. Hypertexttheorie gaat over de revolutionaire impact van een niet-bestaande technologie.” Op zijn website (www.eb.com/editors/apang/pang's.html) publiceert hij diverse teksten waarin hij de strijd aanbindt met cyberprofeten als John Perry Barlow en George Landow. Pang heeft recht van spreken: als er nu ergens zuiver elektronische uitgaven ontstaan, is het in de wereld van de encyclopedieën. “Bij het maken van de timelines heb ik bijvoorbeeld gemerkt hoezeer bij multimedia de inhoud bepaald wordt door de beschikbare software. Informatie is totaal niet vrij en eindeloos vormbaar. Omdat alles tegelijkertijd moet worden ontwikkeld en allerlei verschillende systemen op elkaar worden ingesteld, wordt de tekstuele inhoud juist veel sterker beïnvloed door 'materiële' (software-)omgeving dan bij een tekst op papier. Alles hangt samen, terwijl je je vroeger alleen op de tekst kon concentreren. Ik was geschokt te merken dat onze problemen eigenlijk alleen goed waren op te lossen door alle betrokkenen - ontwerpers, programmeurs, historici - redacteuren, samen te brengen in één kamer. Hoezo moderne communicatiemiddelen? Hoezo email? Hoezo fax?”

“Ik voel me verwant aan een drukker in Genève aan het begin van de zestiende eeuw”, bekent Pang. “Ook dan is er een nieuwe technologie. Er zijn allerlei nieuwe schrijvers, die rare lutheranen bijvoorbeeld. Er wordt niet meer in het Latijn geschreven. De business verandert snel en je weet niet wat blijvend is en wat niet. Net als nu kon je in 1500 alle mógelijke toekomstverwachtingen hebben.”

Nee, de Encyclopedisten van de achttiende eeuw - uit wier beweging de Britannica toch is voortgekomen - hadden heel andere problemen dan hij, vindt Pang. “De uitdaging van de Verlichting was de selectie: wat nam je op en wat niet? Daarvóór kon je nog werkelijk geloven dat je met één boek alle kennis in handen had. De eerste druk van de Britannica benadrukt heel sterk de nuttigheid van kennis: veel over boekhouden en veeteelt bijvoorbeeld. Kennis moest dienen tot morele en spirituele verbetering van individu en natie. En eerlijk gezegd denk ik dat dat idee nog altijd niet verouderd is.”

Dat encyclopedisch ideaal is gebleven, maar de vorm zal - voor de zoveelste keer - sterk veranderen. Zo zal bijvoorbeeld de 'revolutie' van 1974 weer ongedaan worden gemaakt. Toen werd in een gigantische redactionele operatie de Encyclopaedie in tweeën gesplitst - kosten 32 miljoen gulden, indertijd een recordinvestering voor een uitgeverij. Sindsdien bevatten de eerste twaalf Britannicabanden de 'gewone encyclopedie': vele tienduizenden alfabetisch geordende artikelen. De rest (met zeventien banden het belangrijkste deel) bestaat uit een achthonderdtal, vaak zeer uitvoerige artikelen: knowledge in depth - variërend van 323 pagina's (in de editie 1988) over de Verenigde Staten tot 2 pagina's over Hermann von Hemholtz. En ook 'bijna alles' over bedektzadige planten (angiospermae) in 214 blz., wiskundige analyse (108 blz.), 'publieke werken' (van vuilnisdienst tot bruggenbouw, in 98 blz.), fotografie (28 blz.), occultisme (22 blz.), kinderziekten (12 blz.), Chinese literatuur (10 blz.), Julius Caesar (5 blz.) en Keulen (3 blz.) Twee registerdelen leiden de lezer door deze oceaan van tekst.

Nog altijd staan deze artikelen trouwhartig en ongeschonden op de cd-rom. Maar daar blijkt het indrukwekkende systeem volkomen in elkaar te storten. Pang: “De lineaire, organische opbouw van een artikel wordt onzichtbaar. De superieure zoekfunctie gaat ten koste van literaire opbouw. In een boek blijkt al uit de pagina-opbouw of je in de macropaedia of in de micropaedia zit en je ziet duidelijk het begin en einde van een artikel. Maar op de cd-rom mis je dat allemaal: je krijgt losgeknipte korte stukken tekst. Niemand gaat die schermen op volgorde oproepen.”

En dat levert enorme redactieproblemen op. “Neem zoiets simpels als eigennamen. Nu wordt de eerste keer dat iemand genoemd wordt de volledige naam genoemd, vervolgens alleen de achternaam. Moeten we nu overal de volledige naam afdrukken? Ik weet het nog niet.” Veel grote macropaedia-artikelen zullen sneuvelen. Pang: “Ik heb sowieso een diep wantrouwen tegen de grote schema's van artikelen als The Social Sciences (50 blz., red.) of Philosophies of the Branches of Knowledge (80 blz., red.) die haast fysiek de intellectuele ordening willen bepalen. En juist door die intellectuele verkramptheid verouderen ze heel snel. Andere grote artikelen zijn gewoon compilaties van korte stukken. Ik denk dat alleen lange artikelen met een duidelijke verhaallijn zoals historische verhalen en biografieën de overgang naar de elektronica zullen overleven.”

Door het opsplitsen kan de Britannica mogelijk ook tegemoet komen aan klachten uit bijvoorbeeld India. De geschiedenis en cultuur van dat land wordt op een typisch westers wijze opgeknipt in politiek, recht, godsdienst, enzovoorts, terwijl veel Indiërs die categorieën juist als onlosmakelijk verbonden zien. “We zouden misschien een aparte structuur voor de Indiase cd-rom kunnen maken”, peinst de adjunct-hoofdredacteur. “Zolang de tekstinhoud maar hetzelfde blijft.”

Zo'n truc zou ook passen in het nieuwe beleid van de zojuist aangetreden hoofdredacteur en sinoloog Dale Hoiberg, die ook zijn oude functie als hoofdredacteur van de 'lokale' edities in het Frans, Italiaans, Pool, Hongaars, Japans, Koreaans en Chinees heeft behouden. Veel tijd voor een gesprek heeft hij niet: “Ik geloof dat ik vanmiddag naar New Delhi moet.” De Britannica moet internationaler worden, zegt hij. “We moeten in onze kern-databank meer overnemen uit de lokale edities. Bij de Japanse Britannica zijn bijvoorbeeld belangrijke deskundigen in het boeddhisme en de informatietechnologie betrokken. Die moeten we ook voor de centrale Engelse editie inschakelen. Tot nu toe was er vooral eenrichtingsverkeer. En als dat veel extra ruimte gaat kosten, moeten we maar wat schrappen. Die zeer technische wiskunde-artikelen kunnen bijvoorbeeld wel wat korter, denk ik.”

Eh, hoezo korter? Schrappen was toch ouderwets geworden? Nee, niet voor de papieren uitgave, want die heeft zijn fysieke grens al decennia geleden bereikt. En Hoiberg wijst erop dat die gedrukte versie buiten de VS en andere zwaar gecomputeriseerde landen nog altijd ruimschoots voldoende over de toonbank gaat. “De verschillende edities zullen als de delen van een oercontinent langzaam maar zeker uit elkaar gaan drijven”, had Pang al gezegd. De elektronische uitgave zal alleen maar verder uitdijen. Toevallig is de huidige cd-romcapaciteit niet zo heel veel groter dan die van 32 encyclopediedelen. Maar de aanstormende DVD-techniek vergroot de schijfcapaciteit minimimaal vijfvoudig. “Ik heb thuis een veertiende druk, uit 1929”, zegt James E. Goulka, chief operating officer van Encyclopaedia Britannica Inc. “Daarin staat nog een hele pagina over Lodewijk XVII. Nu besteedt de Britannica er vier inches tekst aan, andere dingen werden belangrijker. Maar op cd-rom zou je die oude hoeveelheid gewoon laten staan.”

Over de toekomst van de papieren uitgave is in Chicago nog geen besluit genomen. “Het is in ieder geval geen concurrent van de elektronische uitgave”, zegt Goulka. “Want niet iedereen werkt graag met een computer. En de gedrukte uitgave kun je lezen waar je wilt, in bed of in de tuin. En je léést hem tenminste. Op een computer zoek je alleen iets op.” En het belangrijkste verkoopargument is status. Goulka: “Een schijfje valt niet op. Maar met een Britannica in de kast definieer je jezelf als een serieus persoon. De Mercedes 600 wordt tenslotte ook goed verkocht, terwijl iedereen maar 100 kilometer per uur mag rijden. Het heeft geen praktische waarde en toch kopen mensen zo'n ding.”

Het instinct is: afwachten

Volledigheid bestaat niet. Maar waarom staat er niets in de Britannica over de Franse socioloog Pierre Bourdieu? Waarom ontbreekt iedere verwijzing naar de eind 1994 in de Chauvet-grot gevonden rotstekeningen, die de oudste ter wereld zijn? En waarom niks over veenlijken?

Het ontbreken van de Chauvet-tekeningen blijkt een banale oorzaak te hebben. “Onze antropologische en archeologische verslaggeving schiet de laatste jaren nogal tekort”, zegt Alex Pang, verantwoordelijk voor de inhoudelijke vernieuwing. “De redacteur die dat altijd voor zijn rekening nam - en mijn voorganger als adjunct-hoofdredacteur - overleed in 1995.”

De afwezigheid van Pierre Bourdieu onthult echter iets van de mentaliteit waarmee de Britannica wordt gemaakt. Pang: “Bourdieu behoort net als mensen als Derrida, Foucault, Habermas, Rorty en Rawls tot de eigentijdse sociale en literaire theoretici waar we weinig aandacht aan hebben besteed. Ten eerste omdat hun werk nog altijd controversieel is en hun invloed onzeker. De Britannica ziet zich als een soort spiegel van gematigde, conventionele wijsheid. Inzake omstreden schrijvers en geleerden is het instinct dus: afwachten.”

Maar, zo haast Pang te vermelden: “De tweede en belangrijkste reden is heel praktisch. Het is moeilijk mensen te vinden die hierover kundig èn neutraal kunnen schrijven. Want hoe kun je iemand vragen een objectief, afstandelijk artikel over deconstructivisme te schrijven, op dezelfde manier als je over zout of Izmir zou schrijven? De beste mensen op dit gebied hebben juist duidelijke opvattingen die ze ook niet graag opgeven.” Niettemin, Pang waagt het erop. Begin dit jaar heeft hij biografieën besteld van Derrida (door Jonathan Culler) en Foucault (door James Faubion).

Belangrijker dan feitelijke omissies zijn structurele verwaarlozingen, vindt Pang. “Het duidelijkst is dat bij onze historische artikelen, die voor het grootste deel op nationale grondslag zijn geschreven. Politieke en diplomatieke geschiedenis domineren. Dat we nu eenmaal een artikel hebben over 'de geschiedenis van het Verenigd Koninkrijk' maakt het bijvoorbeeld moeilijk om de wederzijdse beïnvloeding van dat land en zijn kolonies duidelijk te maken. Het centrum is duidelijk, de periferie niet. Maar de vraag is of er alternatieven zijn.”