De wereld in kaarten

Kees Zandvliet: Mapping for Money. Maps, plans and topographic paintings and their role in Dutch overseas expansion during the 16th and 17th centuries. Amsterdam, De Bataafsche Leeuw, 328 blz. Rijksuniversiteit Leiden, 8 april 1998. Promotores: prof.dr. J.R. Bruijn, prof.dr. G. Schilder.

Er is een levendige en blijkbaar onuitputtelijke handel in oude landkaarten, topografische prenten en stadsplattegronden. Ze zijn ook vaak erg mooi, maar belangrijker is meestal toch de bekoring die uitgaat van een blik op de eigen stad of streek zoals die vroeger was. Wat is er veranderd, wat hetzelfde gebleven? Veel van het lege buitengebied is nu stad geworden, maar het is altijd weer verrassend om te zien hoe vertrouwd het stratenplan van de meeste oude steden nog steeds is. Wie nu in de binnenstad van Amsterdam of Utrecht de weg weet, zou ook in de zeventiende eeuw een verdwaalde reiziger zonder veel moeite de weg hebben kunnen wijzen. Misschien zelfs naar de kaartenmaker of de prentenhandelaar, want ook in de zeventiende eeuw was men al dol op mooie kaarten, atlassen, globes en stadsgezichten. Op de weinige schilderijen van bijvoorbeeld Johannes Vermeer zijn ze opvallend vaak en dominant aanwezig, aan de muur, maar ook op tafel.

Evenmin als nu was hun functie puur decoratief, ze vertelden ook iets over de sociale status van het huishouden, de herkomst en de belangen van de familie of de mate van intellectuele belangstelling. Kaarten en plattegronden waren ook nuttig en belangrijk op een manier die we ons nu hoogstens bij een stafkaart nog weleens herinneren. Een kaart kon militair strategische informatie bevatten, de weg wijzen naar nog maar net verkende gebieden, claims op landbezit geldend maken of slechten, aanwijzingen geven voor de beste plaatsen om een handelspost te stichten of een versterking te bouwen.

In de zeventiende eeuw leverden kaarten het bewijs van de geleidelijke ontdekking van de wereld in dienst van economisch gewin en militair overwicht. Aan het einde van de eeuw waren de kustlijnen van de continenten vrijwel helemaal in kaart gebracht en had de wereld op papier al vrijwel de vorm aangenomen, die in deze eeuw door satellietfoto's is bevestigd. Met name in opdracht van de VOC en ook de West-Indische Compagnie was daar door Nederlandse cartografen in belangrijke mate een bijdrage aan geleverd.

Kees Zandvliet, lang hoofd van de kaartenafdeling van het Rijksarchief en nu verbonden aan de afdeling Vaderlandse Geschiedenis van het Rijksmuseum, geeft in zijn prachtig geïllustreerde en heel mooi uitgegeven proefschrift een fascinerend beeld van de ontwikkeling van kaartproductie en kaartgebruik in de expansie van Nederland als vooral economische grootmacht in de zeventiende eeuw. Fascinerend is niet alleen de bijna terloopse blik die via een klein historisch zijraampje op een verbluffend onverbloemde vorm van modern kapitalisme geworpen kan worden, maar vooral ook het inzicht dat zo gegeven wordt op het reilen en zeilen van een wereld waarin het dagelijks werk in veel opzichten al de vormen van arbeidsdeling en -toedeling kende die ons nu juist zo hedendaags lijken. We zien hoe internationaal mobiel al een grote groep mannen werkt en hoeveel geld er te verdienen valt voor wie een goede neus voor interessante nieuwigheden heeft of over nog zeldzame kwalificaties beschikt. We komen ook te weten hoe kostbaar goede kaarten zijn, ook in relatie tot de vaak hoge inkomens van kapiteins en stuurlieden op de grote vaart. Het lijkt allemaal erg op de ontwikkeling van de software-technologie in onze tijd en omgekeerd kun je je Bill Gates ook heel goed als een scheepsjongen van Bontekoe voorstellen.

Op de schepen zelf wordt het logboek nauwkeurig bijgehouden - niet door scheepsjongens uiteraard - en worden systematisch gegevens verzameld over alles wat men tegenkwam. Op de kantoren in Amsterdam en Batavia worden de gegevens verzameld, tegen elkaar afgewogen en uiteindelijk gebruikt voor het maken van steeds betere kaarten en routebeschrijvingen. Natuurlijk hebben de opdrachtgevende compagnieën er belang bij dat de kaarten exclusief in hun bezit blijven en natuurlijk proberen de kaartenmakers enerzijds een monopolie te verwerven en anderzijds hun kennis en informatie te verkopen aan iedereen die ervoor wil betalen. Een van de conclusies van het boek is dat het, ondanks pogingen daartoe, duidelijk niet lukt om de cartografische informatie echt geheim te houden. De cartografen en uitgevers waren daarvoor duidelijk te vrijgevochten en de informatie kwam daarvoor ook in te veel verschillende handen. Op elk uitgezonden schip moest men immers over de nodige sets kaarten kunnen beschikken. Onnodig te zeggen dat het ook niet lukte deze kaarten aan het eind van iedere reis weer compleet en ongeschonden in te nemen. Veel ging verloren, maar veel werd ook weer doorverkocht.

De compagnieën gebruikten de kaarten niet alleen op weg naar de handelsbestemmingen, maar ook om de goede plaatsen te vinden voor de aanleg van handelsposten en de bouw van nederzettingen, de planning van fortificaties of de beschrijving van vestigingsgebieden voor bijvoorbeeld boeren. De compagnieën traden vrijwel op als soevereine mogendheden, al was het voor hen steeds duidelijk dat niet landgewin, maar het economisch voordeel doorslaggevend was. Dat men geprobeerd heeft in zowat alle landen van de toen bekende wereld buiten Europa een stevige voet tussen de deur te krijgen, is inmiddels bijna vergeten, maar het blijft toch verbazingwekkend - en ik vind het eerlijk gezegd ook altijd weer indrukwekkend als je in een of ander ver buitenland weer op een Fort Rotterdam of een Bolwerk Utrecht stuit - te zien hoe men om de noord naar China en India probeerde te komen, om de zuid naar heel Oost-Azië en Australië en aan de andere kant van de wereld ook tot aan Chili en Peru. En altijd werd er genoteerd wat er te halen was, hoe de kust, het land, de mensen, de dieren en de planten eruit zagen en waar je bij een nieuwe reis op moest letten.

Zoals de compagnieën op veel plaatsen gingen zitten, waar eerst al de Portugezen en soms ook de Spanjaarden al hun nederzettingen gesticht hadden, zo bouwde ook de cartografie voort op de voorbeelden uit het zuiden. Kaarten werden gekocht, gekopieerd en gejat, kaartenmakers weggekocht en organisatiemodellen voor het cartografisch bedrijf overgenomen. Via Vlaanderen en ten dele via Engeland bereikte de cartografie de Republiek, waar het vak ook weer nieuwe - ten dele ook wetenschappelijke en universitaire - impulsen kreeg. Van de gewone gebruikscartografie van die tijd is overigens maar weinig bewaard gebleven. Wat wij nu nog vooral over hebben, in het bijzonder in de vorm van het schitterende atlassenwerk van Blaeu en Hondius, was ook toen al vooral voor het vertoon en dus voor een markt van kunstlievende en rijke burgers bedoeld. Hun geld kwam voor een belangrijk deel voort uit de exploitatie van de gebieden die in de atlassen konden worden opgezocht en hun zelfbewustzijn zal er niet weinig door zijn toegenomen. Het mooiste bewijs daarvoor biedt de Burgerzaal van het Paleis op de Dam, waar de bezoeker als het ware wordt opgenomen in een overweldigend geopolitiek geïnspireerd decoratieprogramma, dat er geen twijfel over laat bestaan dat de wereld aan de voeten van de Amsterdamse burgerij ligt. In Den Haag was ook de grote zaal van het Paleis Noordeinde versierd op een wijze, die iedere buitenlandse bezoeker duidelijk moest maken dat de aspiraties van de stadhouder verder reikten dan alleen de zeven provinciën.

In een proefschrift als dit wordt theorie alleen maar impliciet zichtbaar in de selectie van onderwerpen waar aandacht aan besteed wordt. Een halve eeuw geleden zou zeker het sociaal-economische aspect minder belangrijk gevonden zijn en zou de aandacht waarschijnlijk vooral uitgegaan zijn naar de kwaliteiten van de kaarten zelf en de bijdrage die zij leveren aan de geschiedenis van bijvoorbeeld de vestiging van een Nederlands koloniaal rijk. Het belang van dit boek ligt in waar duidelijk ook het meeste werk in is gaan zitten: het laten zien - om een beetje in stijl te blijven - van de kiel, de ruimen, de tuigage en de bemanning van een schip waarvan wij niet meer kenden dan de mooiste vaantjes en een enkel boegbeeld. Dat levert een beeld op, dat zeker in zijn illustraties voor ons nauwelijks minder fascinerend en zeker niet minder aantrekkelijk is dan het voor onze voorouders geweest moet zijn.

    • Paul Schnabel