De kwabaal is terug; VISSTAND HERSTELT DOOR VERBETERDE KWALITEIT VAN RIVIERWATER

De kwaliteit van het Nederlandse rivierwater is verbeterd. Zo hier en daar duiken zelfs weer exemplaren van verdwenen vissoorten op, zo blijkt uit een vorige week verschenen inventarisatie.

WIE KENT NOG de grote marene of de gestippelde alver? Tal van karakteristieke vissoorten zijn in de loop van deze eeuw uit ons land verdwenen of uiterst schaars geworden. Steur en zalm, houting en vlagzalm komen niet of nauwelijks meer voor. Vrijwel overal overheerst een handvol alledaagse soorten, zoals brasem en blankvoorn, snoekbaars en baars. Toch is er hoop, zo bleek vorige week op het symposium 'Vissen in de rivieren' in Heerewaarden. Dankzij alle maatregelen die sinds de jaren zeventig worden genomen om de waterkwaliteit te verbeteren en watersystemen te herstellen raken we de komende jaren niet nog meer soorten kwijt. Zo hier en daar duiken zelfs weer exemplaren van verdwenen soorten op.

Nevengeulen die in de uiterwaarden worden gegraven worden razendsnel ontdekt door liefhebbers van snel stromend rivierwater, zoals winde en barbeel. Door de aanleg van vistrappen maken trekvissen zoals zalm en zeeforel hun come-back.

De visstand is in kaart gebracht in het rapport Vis in de zoete rijkswateren 1992-1996, een verslag van gezamenlijk onderzoek van het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA) en het Rijksinstituut voor Visserijonderzoek (RIVO). Daarbij verrichten ook beroepsvissers regelmatig tellingen op 30 plaatsen in het IJssel- en Markermeer, de Randmeren, de Rijntakken, de Maas en het Benedenrivierengebied.

Het herstel van de visstand is vooral te danken aan de betere waterkwaliteit. Tot in de jaren zeventig zakte het zuurstofgehalte van de Rijn bij Lobith regelmatig tot beneden de 2 milligram per liter, met als gevolg massa's dode vis, vooral bij warm weer. De laatste tien jaar is het zuurstofgehalte flink verbeterd, het schommelt nu rond de 10 mg/liter. De Rijnwaterkwaliteit is van doorslaggevende invloed op de overige zoete wateren, het IJsselmeer inbegrepen.

VISSTERFTE

Met de Maas gaat het minder voorspoedig. Het Maaswater is nooit zo zuurstofarm geweest als de Rijn, maar het gemiddelde zuurstofgehalte vertoont nog steeds een geleidelijke daling. Bij Eijsden, waar de Maas ons land binnenkomt, is het zuurstofgehalte gemiddeld 9 mg/liter, met regelmatige uitschieters naar beneden, tot onder de 3 mg/liter. Juist zulke uitschieters zorgen voor veel vissterfte. Verder bevatten de Maasvissen gehalten aan zware metalen en microverontreinigingen die ver boven het Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau liggen. Toch zijn langs de Maas tussen 1993 en 1996 maar liefst 47 soorten vissen aangetroffen, evenveel als in de Rijntakken. Daar zijn allerlei merkwaardige nieuwkomers bij. Allochtonen als regenboogforel, zilverkarper, graskarper, goudvis, zonnebaars, gup, bruine en zwarte amerikaanse dwergmeerval kwamen op eigen kracht over de grens. Ook op andere plaatsen blijkt de visstand rijker dan gedacht. In het IJsselmeer zwommen fint en houting, kwabaal, meerval en sterlet in de fuiken. In totaal werden 37 soorten geteld. Onderzoekers schatten dat er in totaal 1 miljard vissen in het IJsselmeer zwemmen.

KINDERKAMER

In de loop van de twintigste eeuw is omwille van landbouw, scheepvaart en veiligheid fors ingegrepen in de natuurlijke waterhuishouding van ons land, met grote gevolgen voor de visstand. Zo zijn de grote rivieren bedijkt en grotendeels gestuwd. Door de aanleg van zomerdijken kunnen riviervissen de ondiepe wateren in de uiterwaarden niet meer gebruiken als kraam- en kinderkamer, of om er te schuilen of voedsel te zoeken. Trekvissen die uit de zee de rivieren op zwemmen om bovenstrooms te paaien ontmoeten zeer scherpe, onnatuurlijke overgangen van zout naar zoet, die ontstaan zijn door de aanleg van de Deltadammen. Bovendien zijn dammen, stuwen en sluizen voor trekvissen vaak onneembare barrières. En tenslotte is door een strakke beheersing van het waterpeil veel natuurlijke dynamiek verloren gegaan. Vroeger stond 's winters half Friesland blank, en ook rond het IJsselmeer kwamen uitgestrekte vloedvlaktes voor. Al deze veranderingen in het landschap hadden hun weerslag op de oorspronkelijk rijke visstand. Om de visstand te herstellen is een visvriendelijker inrichting van het landschap nodig.

Vissen hebben zo hun eigen verlangens. Sommige riviervissen zijn hun hele leven gebonden aan stromend water. Anderen grijpen hun kans als de rivier buiten haar oevers treedt. Dan kunnen ze overigens geïsoleerde wateren voor korte tijd bevolken om zich daar voort te planten tussen de waterplanten. Weer andere vissoorten leven juist vrijwel het hele jaar in die geïsoleerde watertjes, maar gebruiken een overstroming om de rivier op te zwemmen en wat meer van de wereld te zien.

Biologen onderscheiden 'onverschillige', plantenminnende en stroomminnende vissoorten. Tot de onverschillige (eurytope) soorten behoren aal, baars, blankvoorn en brasem. Deze generalisten vind je bijna altijd en overal, in stilstaand of stromend water, met of zonder planten, voedselarm of voedselrijk, het maakt ze niet uit. Zij domineren de huidige visstand vrijwel overal.

De stroomminnende (rheofiele) soorten hebben stromend water nodig. Voor sommigen geldt dat hun hele leven lang (barbeel, beekforel, kopvoorn, serpeling en sneep). Dit zijn de meest veeleisende vissoorten, die het eerst verdwijnen.

Weer een andere groep heeft alleen stromend water nodig om zich voort te planten. Het stromende water moet hun eieren, die bijvoorbeeld op een ondiep grindstrandje zijn afgezet, van voldoende zuurstof voorzien en bij sommige soorten moeten ook de vislarven opgroeien in stromend, zuurstofrijk water. Een aparte groep zijn de zoet-zout-rheofielen, trekvissen die heen en weer pendelen tussen de rivier en de zee, zoals zalm en zeeforel, spiering en elft. En ten slotte zijn er de plantenminnende (limnofiele) vissen, zoals snoek, ruisvoorn en zeelt. Zij kunnen alleen leven in schoon water, waar voldoende waterplanten zijn. In de Veluwerandmeren, waar de laatste jaren hard gewerkt is aan ecologisch herstel, zijn weer uitgebreide kranswiervelden aan het ontstaan. Een visje als de kleine modderkruiper maakt daar dankbaar gebruik van, terwijl in het Wolderwijd ook zeelt en ruisvoorn weer in aantal lijken toe te nemen.

ZANDPUTTEN

Stroomminnende riviervissen profiteren volop van het Plan Ooievaar, dat zo'n tien jaar geleden voor het rivierengebied werd gelanceerd. Pas gegraven nevengeulen, die bij de rivieren zijn aangetakt en langzaam meestromen, worden snel in bezit genomen, zo blijkt uit onderzoek van de Landbouwuniversiteit Wageningen bij Beneden-Leeuwen en Opijnen. 's Winters zitten in de ondiepe wateren nauwelijks volwassen vissen. Zij overwinteren in diepe zandputten, die in contact staan met de rivier. In het voorjaar kwam ineens een flinke stroom vissenlarven van zo'n 3 centimeter op gang. Blijkbaar planten deze riviervissen zich niet in de nevengeulen voort, maar hebben ze die nodig als opgroeigebied.

De èchte liefhebbers van snelstromend water, zoals elrits en bermpje, zijn alleen te vinden langs de Grensmaas in Zuid-Limburg. Plannen voor verdere natuurontwikkeling langs Grensmaas en Zandmaas zien er veelbelovend uit.

    • Marion de Boo