Witte Huis tevreden; Hof VS blijft buiten strijd Starr-Clinton

WASHINGTON, 5 JUNI. Het Amerikaanse Hooggerechtshof mengt zich vooralsnog niet in de juridische strijd tussen president Clinton en de onafhankelijke aanklager Kenneth Starr.

Het Hof reageerde gisteren afwijzend op een verzoek van Starr om snel een uitspraak te doen over de vraag of hij Clintons vertrouweling Bruce Lindsey en veiligheidsagenten van de Secret Service kan dwingen om te getuigen.

Het besluit is een tegenslag voor Starr, die had betoogd dat een snelle afronding van zijn onderzoek naar de zaak-Lewinsky van groot nationaal belang is. Een lagere rechter oordeelde vorige maand al dat zowel Starr als Lindsey, die juridisch adviseur van het Witte Huis is, de beveiligingsagenten kan dwingen te getuigen. Maar om een tijdrovend hoger beroep van het Witte Huis te voorkomen, wilde Starr dat het Hooggerechtshof het Hof van Beroep zou passeren en binnen enkele weken een uitspraak over de zaak zou doen.

Nu het Hof dat weigert is de kans klein dat Starr - ook als hij uiteindelijk in het gelijk wordt gesteld - de getuigenis van Lindsey en de agenten voor het eind van het jaar krijgt. Dat maakt de kans groter dat de aanklager in de zomer een tussenrapport aan het Congres zal uitbrengen over de vraag of president Clinton zich schuldig heeft gemaakt aan misdaden die een afzettingsprocedure (impeachment-procedure) rechtvaardigen.

Hoe later Starr een dergelijk rapport aan het Congres voorlegt, hoe kleiner de kans is dat de Congres-leden de gevoelige zaak nog in behandeling nemen voor de tussentijdse verkiezingen begin november. In het najaar kan Starr zijn rapport al niet meer uitbrengen zonder de verdenking op zich te laden dat hij de verkiezingen wil beïnvloeden.

Starr onderzoekt onder meer of president Clinton en de voormalige stagiaire Monica Lewinsky een verhouding hebben gehad, of zij daarover meineed hebben gepleegd in het proces van Paula Jones en of ze anderszins de rechtsgang hebben tegengewerkt. Clinton was verheugd over het besluit van de opperrechters, aldus zijn woordvoerder Mike McCurry.

De advocaten van Clinton betogen dat advocaten van het Witte Huis, zoals Lindsey, gesprekken met de president moeten kunnen voeren die beschermd worden door het zogeheten attorney-client privilege, het recht om de gesprekken tussen advocaat en cliënt geheim te houden. Starr stelt dat van dat recht alleen sprake kan zijn bij de persoonlijke advocaat van de president, maar niet bij advocaten zoals Lindsey, die in dienst zijn van het Witte Huis, en dus de staat.

Ook agenten van de Secret Service zouden aanspraak kunnen maken op een verschoningsrecht, stelt het ministerie van Justitie, en niet gedwongen mogen worden om te getuigen over wat ze zien en horen in de omgeving van de president. Als presidenten niet kunnen rekenen op hun discretie te allen tijde, dan zouden zij de agenten in de toekomst wellicht niet meer zo dicht in hun omgeving dulden als nodig is voor een optimale beveiliging, aldus Justitie. Volgens Starr kan de informatie van de agenten van zó groot belang zijn voor zijn onderzoek, dat hij hen moet kunnen dwingen te getuigen.

Het Witte Huis heeft de afgelopen maanden ook een beroep gedaan op het beginsel van executive privilege, het recht van de president om bepaalde informatie in het landsbelang geheim te houden. Op grond daarvan weigerden Lindsey en een andere medewerker, Sidney Blumenthal, te getuigen over hun gesprekken met de president over de Lewinsky-zaak. Nadat een lagere rechter bepaalde dat het beroep op dit privilege in beginsel gerechtvaardigd was, maar dat het belang van de zaak in dit geval groter was dan de noodzaak tot geheimhouding, besloot het Witte Huis hierover niet in beroep te gaan. Als gevolg daarvan moest Blumenthal gisteren in Washington verschijnen voor een grand jury, de geheime kamer van onderzoek die moet bepalen of er strafbare feiten zijn begaan.