'Vrouwen moeten Afrika besturen'; Gesprek met Calixthe Beyala

In haar negende roman, 'Verloren eer', schetst de van geboorte Kameroense Calixthe Beyala een pakkend beeld van een multi-culturele wijk in Parijs. Haar kleurrijke taalgebruik werd in 1996 bekroond met de Grand Prix du Roman van de Académie Française. 'De Fransman is franstalig, maar franstaligheid is niet Frans. Voor mij is Frans geen vreemde taal'.

Calixthe Beyala: Verloren eer (Les honneurs perdus). Vertaald door Truus Boot. Wereldbibliotheek, 332 blz. ƒ 49,50

'Ik ben geboren in New-Bell, de grootste sloppenwijk van Kameroen, aan de rand van de hoofdstad Douala. Als meisje had ik nooit genoeg te eten. Ik moest iedere dag vijftien kilometer lopen naar school, zonder fatsoenlijke schoenen aan mijn voeten en ik heb de meest vreselijke ziektes gehad. Als je aan dit soort ellende weet te ontkomen, word je of een tiran of iemand die zich voor anderen inzet. Wat mij in het leven gelukkig maakt is dat laatste. Vroeger was ik een militante actievoerster tegen het onrecht in deze wereld. Om het land voor oorlog te behoeden heb ik dagenlang het nationale radiozendstation van Kameroen bezet. Ik vond het ook schandalig dat vrouwen niet zonder mannelijke begeleiders mochten reizen. Daar heb ik ook voor gevochten. Macht heeft me nooit geïnteresseerd. Ik vind het belangrijk dat mensen een vorm van sociaal welzijn bereiken, dat ze zich goed voelen. Tegenwoordig ben ik vredelievender. Ik word ook een dagje ouder. Ik heb in Douala achtentwintig kinderen geadopteerd. Ik voed ze op, zorg dat ze gezond blijven en stuur ze naar school. Mijn oudste kind heeft vorig jaar eindexamen gedaan en gaat nu naar de universiteit. Ik deel daar ook ieder jaar kerstcadeaus uit - niet uit generositeit, maar uit egoïsme. In ieder kind in die krottenwijk zie ik mezelf. Iedere keer als ik hun iets geef, geef ik iets aan het kind dat ik zelf ooit was.'

In haar negende omvangrijke roman, Verloren eer, schetst Calixthe Beyala (37) een pakkend, levendig beeld van de bidonville van New-Bell en van Belleville, een bij uitstek multi-culturele wijk in Parijs. Haar kleurrijke taalgebruik, haar grote verteltalent en haar mooie portretten werden in 1996 - meer dan verdiend - bekroond met de Grand Prix du Roman van de Académie Française. Van het boek werden ruim 260.000 exemplaren verkocht en zestien buitenlandse uitgevers verwierven de vertaalrechten. Voor het eerst kende de Académie Française de prijs toe aan een Afrikaanse schrijfster - het leek geheel in de geest van het motto van het boek: 'De Fransman is franstalig, maar franstaligheid is niet Frans.' 'Voor mij is het Frans geen vreemde taal', aldus Beyala, 'Bij mijn geboorte was Kameroen voor de helft een Frans protectoraat. Mijn Frans is kleurrijker, sterker, Afrikaanser dan dat in Frankrijk. Er zijn nog vijfhonderd miljoen anderen die die taal ook zo spreken. De vijftig miljoen Fransen zullen moeten accepteren dat het Frans niet meer hun eigen, unieke taal is.'

De sloppenwijk van New-Bell is in Verloren eer een smeltkroes van allerlei verschillende culturen en talen - mohammedaanse Arabieren, katholiek-animistische negers, Peuls, Bétis en Bamouns, afkomstig uit alle windstreken van Afrika, op de vlucht voor de armoede en gestrand in de schots en scheve, uit afval opgetrokken hutjes van New-Bell. Tussen stofwolken van de zagerij en de bedwelmende stank van de chocoladefabriek verkopen de vrouwen beignets, bier of desnoods hun lichaam om hun gezin te eten te geven. Kinderen spelen in het rioolwater en mannen drinken palmwijn. In haar directe, felle taal, doorspekt met humor, portretteert Beyala de notabelen van de gemeenschap: de dokter-apotheker die ervan overtuigd is dat hij de Nobelprijs zal winnen dankzij zijn rol in de cholera-epidemie, de gewiekste bordeelhoudster Madame Kimoto, het autoritaire wijkhoofd en de 'news-journalist' die het slachtoffer wordt van de terreur van het dictatoriale regime.

Het leven van Beyala's hoofdpersoon Saïda is van meet af aan tot mislukken gedoemd. Bij haar geboorte werd ze door haar vader vervloekt omdat hij een zoon wilde en vanaf dat moment was zij veroordeeld tot een leven in eenzaamheid. 'In de ogen van de Afrikaanse mannen behoren vrouwen nog steeds tot de allerlaagste categorie van levende wezens', vertelt Beyala, 'terwijl de Afrikaanse samenleving bestaat bij de gratie van de vrouwelijke handelsgeest. Vrouwen zouden Afrika moeten besturen, net als vroeger. In de zestiende eeuw kwamen de kolonisten en brachten het christendom en de islam, waardoor er een einde kwam aan het eeuwenlange matriarchaat. De huidige Afrikaanse maatschappij is een mannenmaatschappij, gebaseerd op geweld en oorlog. Wij vrouwen zijn moeders, meer tot vrede geneigd. Niet voor onszelf, maar voor onze kinderen. Wij hebben geen wapens of auto's nodig om te bewijzen dat we een sociale positie hebben. Een vrouw kan alles wat een man kan, plus nog iets dat hij niet kan, namelijk kinderen krijgen.'

Tien jaar geleden werd Beyala regelmatig met tomaten bekogeld om dit soort uitspraken. Nu komen er ook mannen naar haar lezingen luisteren. 'Dat stemt mij optimistisch. Ook al zullen ze hun eigen vrouw niet meer ruimte geven, dan willen ze dat misschien wel voor hun dochter.'

In Verloren eer krijgt Saïda van haar vader geen enkele speelruimte. Uitgaan is er niet bij, een echtgenoot meldt zich niet en na een vermeende vrijpartij vernedert hij haar, in een poging van haar af te komen. Jaren na zijn dood vertrekt Saïda naar Parijs, zonder een cent op zak, maar met haar tien jaar geldige bewijs van maagdelijkheid - zij is inmiddels bijna vijftig. Saïda vindt werk als inwonend huishoudster bij Ngaremba, een Senegalese die met haar dochter in de Parijse wijk Belleville woont en voor de analfabete bevolking liefdesbrieven, zakelijke documenten en epistels naar het thuisfront schrijft. 'Het verhaal van Saïda en Ngaremba berust op waarheid', vertelt Beyala, 'Ngaremba is mijn karikatuur, mijn zelfportret. Jaren geleden stond er op een avond een vijftigjarige vrouw voor mijn deur, die aankondigde voor mijn dochtertje te komen zorgen en mij haar maagdelijkheidscertificaat overhandigde. Ze heette Saïda. We hebben mijn dochter samen opgevoed en ik heb haar lezen en schrijven geleerd. Als je in Afrika geen man hebt, en ook geen kinderen, besta je eigenlijk niet. Daarom heb ik haar onsterfelijk willen maken.'

Met de twee vrouwen loopt het uiteindelijk tamelijk tragisch af. Toch vindt Beyala dat zij in haar boek optimistisch is over de toekomst van de Afrikaanse vrouw: 'Saïda en Ngaremba zijn fantastische vrouwen die een enorme ontwikkeling doormaken. Saïda komt met niets naar Parijs, ze wordt door iedereen geminacht, maar slaagt er toch in een eigen leven op te bouwen, een leven in vrijheid. Ngaremba heeft zich tot doel gesteld een zwarte revolutie op gang te brengen. Zij raakt gedesillusioneerd doordat ze de andere Afrikaanse intellectuelen niet meekrijgt. Die houden alleen van praten en drinken en zijn te individualistisch om een verstoring van hun luie leventje te tolereren.'

Kort nadat Verloren eer in Frankrijk bekroond was, beschuldigde het tijdschrift Lire Beyala van plagiaat en kwam met onomstotelijke bewijzen - een treurige smet op haar bekroonde blazoen. Als ik er voorzichtig op zinspeel, schieten haar ogen vuur: 'Niemand bedenkt ooit iets nieuws. Het geheugen van de wereld en de verbeelding behoren iedereen toe. Het zijn onderdelen van de universele, menselijke erfenis. Zij die mij belasteren moeten eens wat nederiger zijn, wat minder pretentieus en individualistisch. Mijn grootmoeder heeft mij er al vroeg voor gewaarschuwd: “Iedere keer dat je in een hoge boom klimt”, zei ze, “zal er een imbeciel zijn die omhoog kijkt en die zegt dat er een gat in je onderbroek zit”.'

    • Margot Dijkgraaf