Vijftig jaar bloei rond 1300; De wortels van de westerse hegemonie

Alfred W. Crosby: The Measure of Reality. Quantification and Western Society 1250-1600. Cambridge University Press, 245 blz. ƒ 79,40 (geb).

Wanneer de Romeinen in de vijfde eeuw definitief onder de voet zijn gelopen, gaat de westerse beschaving een donkere periode tegemoet. Dat mag een wat versimpelde weergave zijn van de feiten, maar ontegenzeggelijk ontstaat er zo na het jaar 500 een grote culturele achterstand ten opzichte van de beschavingen in het Oosten. De Perzische geograaf Ibn Khurradadhbeh beschrijft West-Europa in het midden van de negende eeuw als de bron van 'eunuchen, slavinnen en slaven', een andere moslim-geograaf zegt een eeuw later zelfs dat 'hoe verder je naar het noorden gaat, hoe dommer, grover en onbeschaafder de mensen zijn.' Toch zijn het de afstammelingen van deze 'barbaren' die zevenhonderd jaar later op het punt staan de wereld te veroveren.

Zij zouden hun achterstand hebben omgebogen in een voorsprong door de opkomst van wetenschap en techniek. Dat is een wat eenvoudige voorstelling van zaken, die bovendien voorbij gaat aan de oorzaken die aan die wetenschappelijke en technologische 'revolutie' ten grondslag liggen. Alfred Crosby, hoogleraar geschiedenis aan de universiteit van Texas, heeft vorig jaar proberen te voorzien in die lacune. Het is al het derde boek dat hij wijdt aan zijn 'levenslange zoektocht naar de verklaring voor het verbazingwekkende succes van het Europese imperialisme'.

Getallen

In dit nieuwe, uitermate boeiende en vooral schitterend geschreven The Measure of Reality maakt hij aannemelijk dat de wortels van die westerse hegemonie gezocht moeten worden in een relatief korte periode van zo'n vijftig jaar rond 1300. Terwijl Europa bloot stond aan plunderingen, oorlog en gruwelijke epidemieën, veranderde de naar binnen gekeerde middeleeuwer in iemand die de wereld om zich heen probeert te vatten in getallen en vooral in beelden. Voor de historicus is het 'alsof je een gewonde havik in een onzichtbare thermiekbel hoger en hoger ziet stijgen.'

Voordat Crosby echter toekomt aan het beschrijven en verklaren van die omslag, schetst hij een beeld van wat hij het 'Eerbiedwaardige Model' noemt, de kijk op de werkelijkheid van vóór 1200. Het geloof stond als vanzelfsprekend op de eerste plaats, en concepten van ruimte en tijd waren verre van exact en vonden hun oorsprong in de Bijbel. Godsdienstige ceremonies bepaalden de tijdsindeling. Elke dag, zomer of winter, kende twaalf uren, die sterk in lengte varieerden. De symbolische waarde was belangrijk, niet de exacte tijdsduur. Dat gold in feite precies zo voor ruimtelijke begrippen. Jeruzalem was het centrum van de wereld, dat leed geen twijfel en hoefde zeker niet 'objectief' te worden nagemeten.

Kaarten waren niet bedoeld om gebruikt te worden, ze gaven aan wat belangrijk was, en wat niet: 'Ze waren voor zondaars, niet voor zeevarenden.' Tenslotte bestonden er geen eenvoudige methoden om met getallen om te gaan en waren er geen mathematische symbolen. Arabische cijfers werden pas veel later geïntroduceerd, hetgeen praktische toepassingen behoorlijk in de weg stond. Vermenigvuldig maar eens CXVIII met MCCLX. Er werd met de vingers gerekend, maar grote getallen vroegen om de 'uitdrukkingsgave van dansers'. Het feit dat een zo simpel, maar effectief hulpmiddel als de abacus tussen 500 en 1000 in Europa niet bekend was, toont aan hoe diep de beschaving gezonken was. Er was eenvoudig geen behoefte aan objectivering, aan kwantificering, het wereldbeeld was sterk emotioneel en teleologisch. God doemde overal op. Vanaf 1250 wordt het anders. De bevolking neemt sterk toe, evenals de handel, wat weer de opkomst van een heel nieuwe sociale klasse met zich meebrengt: kooplieden, geldwisselaars, advocaten. De oude elite in hun paleizen en kathedralen kan en wil deze bourgeoisie onvoldoende weerstand bieden, omdat ze haar nodig heeft voor het handhaven van haar eigen positie. Langzaam maar zeker begint ook het 'Eerbiedwaardige Model' zijn waarde te verliezen en doet het 'Nieuwe Model' zijn intrede. Zelfs Jeruzalem schuift een beetje naar het westen op, maar blijft het centrum van de wereld omdat 'het westelijk deel [van de wereld] dichter bevolkt is.' De eerste universiteiten worden gesticht, en men begint met het bijeenbrengen en organiseren van de kennis uit de klassieke Oudheid. De werken van Plato, Ptolemaios, Avicenna en vooral Aristoteles worden in het Latijn vertaald.

In drie aparte hoofdstukken - opnieuw aan de hand van de opvattingen over ruimte en tijd en de ontwikkelingen binnen de wiskunde - geeft Crosby een overzicht van het 'Nieuwe Model'. De mechanische klok brengt vanaf 1300 een revolutie teweeg. Door de uitvinding van het echappement, dat het zakken van de gewichten reguleert, wordt 'het mysterie van de tijd niet opgelost, maar wordt deze wel getemd.' Elke stad moet er een hebben, en de inwoners richten hun leven van de ene dag op de andere naar de vaste uren die deze aangeeft. De hervorming van de kalender zal dan nog even op zich laten wachten, en pas wanneer Pasen al te veel richting zomer dreigt op te schuiven, wordt de Juliaanse kalender vervangen door de Gregoriaanse. Wat het echappement was voor de tijdrekening is de herontdekking van de Geographia van Ptolemaios - zo rond 1400 - voor de opvattingen over het ruimtelijk bewustzijn. Hoewel de eerste, voor navigatiedoeleinden min of meer bruikbare zeekaart, of portolano, al dateert van 1296, betekenen Ptolemaios' methoden om het bolvormige aardoppervlak in het platte vlak weer te geven de echte doorbraak. Ook de diverse hemelverschijnselen worden voor het eerst vastgelegd en Copernicus laat zijn theoretisch vernuft los op de bewegingen van planeten en sterren. Tijd en ruimte zijn absoluut geworden, dus 'het meten waard'. Het is daarom niet onlogisch dat ook de manipulatie van de gemeten getallen, de wiskunde, vanaf dat moment een grote vlucht gaat nemen. Helemaal wanneer de Arabische cijfers hun intrede doen. Het kruitvat is dan gevuld, maar de vonk ontbreekt nog.

Want hoewel al door al deze ontwikkelingen de nadruk steeds sterker op kwantificering van de omringende wereld kwam te liggen, was er volgens Crosby nog iets meer nodig. Volgens hem waren dat technieken om nieuwe informatie te visualiseren. Dat is natuurlijk nergens duidelijker dan in de ontwikkeling van het perspectief.

Waar vroeg-middeleeuwse kunstenaars eerder een theologische realiteit proberen weer te geven, met sterk uitvergrote afbeeldingen van Christus en Maria, en er zelfs verschillende episoden uit het leven van een heilige tegelijkertijd werden uitgebeeld, deden Giotto en zijn navolgers voor het eerst pogingen om ruimtes natuurgetrouw weer te geven. Dat lukt nog niet helemaal, want - zoals Crosby het uitdrukt - 'het nauwkeurig gooien van een bal naar iemand die een meter van je afstaat, zou in een wereld die er zó uitziet, een kwestie zijn van puur geluk.' Pas met het werk van Leon Battista Alberti en Piero della Francesca komt een aantal technieken beschikbaar waarmee andere kunstenaars ook perspectivisch juist kunnen gaan schilderen.

Hoofdletters

Crosby maakt echter aannemelijk dat ook op andere gebieden visualisatie van doorslaggevend belang is geweest. Zo worden aan het begin van de veertiende eeuw hoofdletters en leestekens geïntroduceerd, om het kopiëren en lezen te vergemakkelijken. En geeft de ontwikkeling van het notenschrift - de eerste 'wiskundige' grafiek - de componist voor het eerst 'de volledige beheersing over elk minuscuul detail van het geluid.' Het is niet toevallig dat ongeveer tegelijk met de invoering van de nul, ook de weergave van rust zijn intrede doet in het muziek. Tenslotte is er nog de uitvinding van het dubbel boekhouden, dat kooplieden in staat stelt om de controle te houden over hun zaken en zo sterk bijdraagt aan het succes ervan.

Het is onmogelijk om hier Crosby's redenering volledig weer te geven. Toch zijn er ook punten waar hij wel erg gemakkelijk en sterk generaliserend te werk gaat, maar dat lijkt onvermijdelijk in een boek dat een zo breed terrein bestrijkt. Daarnaast schetst hij uitsluitend de ontwikkelingen zoals die zich in de hogere kringen afspeelden. Wanneer deze hun invloed ook op een veel bredere schaal gingen uitoefenen en wat het effect daarvan was, wordt niet behandeld. Zo heeft het meer dan vijfhonderd jaar geduurd voordat het Arabische cijfersysteem ingang vond op het Engelse platteland. Ondanks deze kleine tekortkomingen is The Measure of Reality een ongelooflijk boeiend, met veel verve en zelfs humor geschreven boek. Crosby legt voortdurend dwarsverbanden, illustreert zijn betoog met aardige etymologieën en komt met prikkelende uitspraken. Daardoor zet hij de lezer aan tot verdere studie en wanneer een boek dat voor elkaar krijgt, verdient het een groot lezerspubliek.

    • Rob van den Berg