Studies over islamisme; Vervolging fundamentalisten kan democratie niet redden

Emad Eldin Shahin: Political ascent. Contemporary Islamic Movements in North Africa. Westview Press, 275 blz. ƒ 160,-

François Burgat & William Dowell: The Islamic Movement in North Africa. University of Texas at Austin (1997), 337 blz. ƒ 45,-

Saad Eddin Ibrahim: Egypt, Islam, and Democracy. Twelve Critical Essays. The American University in Cairo Press (1996), 266 blz. ƒ 125,-

Wat is de wortel van het moslim-fundamentalisme? Waarom is het zo succesvol? Dat zijn vragen die de geleerden bezighouden sinds het begin van de jaren zeventig. Met des te meer klem vanaf het moment dat het fundamentalisme triomfen begon te vieren en het het Westen dus werkelijk begon te verontrusten. De eerste schok kwam met de islamitische revolutie in Iran (1979). Vervolgens waren er de moord op Sadat ('81), de opstand in Hama in Syrië ('82), de opkomst van Hezbollah in Libanon ('82) en fundamentalistische bewegingen in Tunesië en Jordanië en de islamitische staatsgreep in Soedan ('89). En, meer recent, de sterkte van de Welvaartspartij in Turkije, de problemen in Algerije, de perikelen rond de Palestijnse Hamas.

Het verschijnsel is duidelijk meer dan een modegril. Bij het aanbreken van de 21ste eeuw drukt het zijn stempel op het politieke klimaat in de Arabische wereld. In veel landen gloorde nog maar enkele jaren geleden de hoop dat het regime een liberalere koers zou gaan varen en meer openingen zou scheppen voor democratie. Maar het feit dat de fundamentalisten daarvan het meest dreigden te profiteren, heeft de vernieuwingen overal weer geblokkeerd.

Kieswet

Voorbeelden te over. In Tunesië heeft het bewind van Zein el-Abidine ben Ali, na een aanvankelijke democratiseringstendens midden jaren tachtig, de deur naar vernieuwingen krachtig dichtgegooid uit vrees voor de Beweging van de Islamitische Tendens (later En-Nahda). Het Egypte van Mubarak heeft na een aanvankelijke liberalisatie de teugels in de jaren negentig strakker aangehaald om strijd te kunnen voeren tegen de radicale Gama'at al-Islamiyya en de groeiende invloed van de Moslim Broederschap. Jordanië heeft, na de herinvoering van de democratie eind jaren tachtig, de kieswet zodanig gemanipuleerd dat de Moslim Broeders bij de verkiezingen van dit jaar uit het parlement verdwenen. In Algerije heeft, nadat in 1988 het Islamitische reddingsfront (FIS) de allereerste vrije verkiezingen dreigde te gaan winnen, een staatsgreep van het leger een einde gemaakt aan het democratiseringsproces. Met als gevolg de huidige uitzichtloze burgeroorlog.

Geen wonder dat het fundamentalisme de gemoederen bezighoudt. En natuurlijk zijn de deskundigen het over veel zaken oneens. Bijvoorbeeld over wat de hamvraag mag heten: hoe moet het tegemoet worden getreden? Is islamitisch fundamentalisme ('politieke islam' of 'islamisme' zijn betere benamingen) onverenigbaar met democratie? Moeten islam-partijen alleen worden bestreden en geïsoleerd? Of moeten ze in het systeem worden geïncorporeerd in de hoop dat zij hun scherpe kanten verliezen als zij medeverantwoordelijkheid gaan dragen. Zullen zij dan op termijn ontwikkelen in de richting van een soort islam-democratie, naar analogie van de westerse christen-democratie?

Saad Eddin Ibrahim, hoogleraar sociologie aan de American University in Cairo, geeft het antwoord op deze vragen alleen impliciet. Ibrahim was een van de eersten die zich met de islamisten bezighield. Al in de jaren zeventig deed hij onderzoek naar de antecedenten van leden van deze groepen. Dat leidde tot de conclusie dat islamisme een reactie is op het falen van andere politieke -ismen als socialisme, communisme en Arabisch nationalisme om werk, huisvesting, carrièremogelijkheden en participatie in de politieke besluitvorming te realiseren. Islamisme was een uitlaatklep voor ontevredenen in samenlevingen als in Egypte, die stagneren en waar een kleine elite al heel lang de dienst uitmaakt. Destijds stelde Ibrahim vast dat het grootste deel van de beweging in Egypte bestond uit jonge, goed opgeleide vertegenwoordigers van de rurale 'lower middle class' die naar de stad waren getrokken.

Recenter onderzoek uit 1995 laat echter een opmerkelijke verschuiving zien. De goed-opgeleide eind-twintigers en dertigers blijken intussen van de eerste plaats te zijn verdrongen door laag-opgeleide tieners en twintigers. De meerderheid woont niet meer in de steden, maar op het platteland en in de 'shanty-towns'. Ibrahims conclusie: het islamisme in Egypte is bezig te evolueren van politiek alternatief voor de lagere middenklasse tot een bredere protestbeweging van jongeren uit het 'lompenproletariaat'. Blijkbaar leidt de scherpe vervolging van de moslimgroepen er bij de blijvende verstarring van het politieke klimaat en het uitblijven van economische perspectieven alleen maar toe dat de beweging zich uitbreidt als een breed protest van de have-nots.

Al met al lijkt Ibrahim in zijn bundel opstellen de in liberale Arabische kringen gangbare mening te onderschrijven dat islamisme in feite het product is van een falende maatschappij. En dus ook het best kan worden bestreden door de maatschappelijke oorzaken weg te nemen, economische vooruitgang te creëren en de maatschappij te liberaliseren.

De auteurs Shahin en Burgat/Dowell zitten niet op die lijn. Ze gaan een stap verder. Zij huldigen het standpunt dat islamisme niet alleen een reactie is op gebreken van de maatschappij, maar vooral ook een authentieke uiting van een cultuur die in de verdrukking is gekomen. Dat is in kringen van islam-deskundigen geen onomstreden standpunt. Maar ongetwijfeld is hun visie gekleurd door het feit dat hun boeken vooral gaan over Noord-Afrika. Dat verschilt van de rest van de Arabische wereld doordat de Franse koloniale overheersers er blijvend hun (culturele) stempel op hebben gedrukt. Zowel in Algerije, Tunesië als Marokko was het establishment bij het bereiken van de onafhankelijkheid sterk verwesterd. De Arabische taal en de traditionele samenleving waren er meer dan elders naar de zijlijn gedrukt, en de nieuwe leiders hebben die lijn in grote trekken voortgezet.

Vooral Burgat en Dowell duiken diep in de gevolgen van deze marginalisatie van de islam. Zij geven tal van voorbeelden, vaak gebaseerd op interviews met leiders van islamistische bewegingen, om duidelijk te maken dat de hervormingen en moderniseringen die de nieuwe, westers gevormde machthebbers doorvoerden, soms nog rigoureuzer waren dan de al tamelijk straffe Franse kolonisatiepolitiek. Bourguiba verhief in Tunesië met één pennenstreek het Frans tot officiële taal in het onderwijs, met als gevolg dat de Arabisch-talige en islamitische Zeitouna-universiteit, met een uitstraling in heel Noord-Afrika, werd gedegradeerd tot een instituut met een onbeduidende bijrol en afgestudeerden met een waardeloos diploma zaten opgescheept. Andere maatregelen waren de invoering van de Franse code-civil die haaks op de islamitische praktijk staat (familierecht), het verheffen van de zondag tot officiële rustdag, of het afschaffen van de vastenmaand Ramadan. In Algerije was de clerus niet veel beter af: zij werd in de periode-Boumedienne als het ware door de staat geannexeerd, gebureaucratiseerd en ingebed in de socialistische ideologie. De 'ulema' (de leidende theologen) werden door deze aanpak in de schaduw gedrongen waaruit later, via het tussenstation van islamitische culturele organisaties, politieke bewegingen ontstonden. In Marokko liep het iets anders. Doordat de koning zich daar opwierp als 'leider der gelovigen', kreeg de islam er een prominentere rol. Maar daar ontstond weer verzet tegen de manier waarop Hassan II de islam monopoliseerde.

Op grond van een overvloed aan materiaal komen Burgat en Dowell tot de conclusie dat de Noordafrikaanse islamistische bewegingen in wezen meer te maken hebben met het culturele erfgoed van deze landen dan de partijen en groeperingen die na de onafhankelijkheid aan de macht kwamen. Eigenlijk zouden zij, menen zij, een rol toebedeeld moeten krijgen om het proces van modernisering 'over te doen'.

Het boek van de Marokkaanse politicoloog Shahin sluit hierop aan. Maar bij hem ligt het accent niet op de vraag hoe 'authentiek' de islamistische bewegingen in Tunesië en Algerije al of niet waren. Bij hem draait het om de vraag of het gewettigd was hen van deelname aan de politieke processen uit te sluiten met het argument dat ze niet in staat zouden zijn een democratische rol te vervullen. Shahin geeft minutieuze beschrijvingen van de opkomst en 'ondergang' van het FIS in Algerije en En-Nahda in Tunesië, waarin hij overtuigend aangeeft dat beide bewegingen weliswaar een 'lunatic fringe' hadden, maar in de kern pluriform waren en bereidheid hadden getoond zich aan de democratische spelregels te binden. Ook voert hij aan dat, zelfs als deze partijen een meerderheid zouden hebben gehaald, dat nog niet een machtsovername had geïmpliceerd. In beide landen - zeker in Algerije - ligt de uitvoerende macht nu eenmaal grotendeels bij de president, die kabinetten naar believen kan wegsturen, en het laatste woord heeft over het leger, politie en de departementen van binnen- en buitenlands zaken. De onderdrukking van En-Nahda in Tunesië en de coup waarmee de verkiezingswinst van het Algerijnse FIS ongedaan werd gemaakt, waren volgens Shahin dan ook niet zozeer pogingen om ondemocratische bewegingen te stuiten, als wel reacties van de heersende elites die niet bereid waren de macht delen. Met als gevolg dat het intellectuele klimaat in Tunesië nu een totale stagnatie vertoont. En dat in Algerije, waar de leiders van het FIS buiten gevecht zijn gesteld, de 'lunatic fringe' de overhand kreeg. Kortom, drie boeken die stof tot nadenken geven over de vraag of het gerechtvaardigd is islamisten altijd en eeuwig uit te sluiten. Is democratie met islamisten mogelijk? Misschien niet. Maar zonder hen is de ramp evenmin te overzien.

Studenten van het Sheikh Khaled Islamitisch Instituut van de Al-Azhar Universiteit in Cairo tijdens een ochtendoefening Foto Abbas/Magnum

    • Maarten Jan Hijmans