Strand

Toen ik 's avonds in Rio de Janeiro aankwam, regende het hevig en er stond een stormachtige wind. De wijken langs de slecht aangelegde wegen en onder de smalle fly-overs zagen er in het donker gevaarlijk uit. New York in 'The bonfire of vanities' dacht ik en ik zag ons al eindigen in de Bronx van Rio.

“Dit is het strand van Copacabana”, zei mijn collega, maar het zag eruit als de Boulevard Evertsen in Vlissingen op een winderige avond in november. 's Morgens was het droog en de zon scheen volop toen we om half zeven naar het strand gingen.

Het prachtige strand - wit zand, bosjes palmen, sportveldjes - was nog vrijwel leeg, maar op het fietspad zoefden de mountainbikes voorbij, er werden honden uitgelaten en tientallen joggers holden voorbij, de walkman op het hoofd. Bij de rotsen aan het noordeinde van het strand stonden tientallen hengelaars op een rijtje naast elkaar. In de kiosken - allemaal precies hetzelfde uitgevoerd - werden voor anderhalve real de eerste kokosnoten opengeslagen en aan de andere kant werden de ramen van de flats gezeemd. Van de galerij van het Copacabana Palace Hotel wapperde de Nederlandse vlag. Willem-Alexander was bij de president op bezoek geweest, las ik later in de NRC. In de Braziliaanse media had ik er niets over gezien.

De Avenida Atlantica is meer dan honderd meter breed en loopt over een lengte van vijf kilometer langs het halvemaanvormige strand. In de trottoirs en in de brede begroeide middenberm heeft de beroemdste tuinarchitect van Brazilië, Burle Marx, met kleine steentjes een patroon van witte en zwarte golven laten aanbrengen. Voor de witte flats liggen terrassen met parasols en zitjes in een strak patroon. Parkeerwachten helpen met het vinden van een plaats voor drie real (zes gulden) en als het donker wordt bieden opvallend ogende dames - 'allemaal mannen hoor' verzekerde mijn collega - hun diensten aan. Dit geldt als het gevaarlijkste en drukste strand van de wereld, maar ik vond het juist opvallend rustig, schoon en veilig. Je kunt er ook lekker eten.